Conclusie
eerste middel, dat klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen het “toebehoren aan CC’s” kan volgen, faalt. Noch de door de rechtbank vermelde feiten en omstandigheden, noch de in de hiervoor weergegeven overweging van het hof vermelde feiten en omstandigheden, houden inderdaad uitdrukkelijk in dat het krat met de 12 flessen Lipton Ice toebehoorde aan CC’s. Dat kan echter zonder meer worden afgeleid uit de door de rechtbank en het hof genoemde omstandigheid dat bedrijfsleider [betrokkene 1] van CC’s namens CC’s aangifte heeft gedaan van de diefstal van genoemd krat, en uit diens door het hof genoemde verklaring dat aan niemand het recht of de toestemming werd gegeven tot het plegen van dat feit.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van het oogmerk op wederrechtelijke toeëigening ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof aldus is afgeweken van het door en namens de verdachte ingenomen standpunt dat hij dacht dat hij het krat mee mocht nemen, zonder dat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
derde middelklaagt dat het hof de (onvoorwaardelijke) oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, mede gelet op een daaromtrent naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
Op te leggen maatregel
vierde middelklaagt over de door het hof opgemaakte ‘Aanvulling bewijsmiddelen’.
bij de Hoge Raad der Nederlanden