Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
waaronder dit privévermogen in het familiebedrijf van partijen’, moet worden beheerd, dat de noodzakelijke samenwerking tussen hen niet langer tot de mogelijkheden behoort niet uitsluitend gedoeld heeft op vaders (via [B] B.V. gehouden) aandelen in [C] B.V., doch (bijvoorbeeld) tevens op de (in Appèlschrift-§ 23 vermelde) aan vader toebehorende ondergrond (dus: grond onder de hier vermelde gebouwde onroerende zaken waar de onderneming wordt geëxploiteerd), is dat onjuist en/of onbegrijpelijk […].”
onoverkomelijkis.” Het onderdeel vervolgt: “Dit klemt temeer resp. althans in het licht van [verzoekers] essentiële, in het kader van zijn derde grief betrokken stellingen in Appèlrekest-§ 26 dat de relatie tussen de beide broers, in hun hoedanigheid van middellijk bestuurders, aan een besluitvorming over de bedrijfsverplaatsing als zodanig resp. het gegeven dàt het Lentse bedrijf verplaatst moet worden niet in de weg staat, dat er druk overleg gevoerd wordt over een mogelijk geschikte locatie voor het bedrijf, dat er nog steeds onderzoeken gedaan worden, dat er überhaupt nog geen bestuurdersvergadering plaatsgevonden heeft waarin aan de bestuurders keuzes voorgelegd zijn, dat er derhalve geen, laat staan definitieve, patstelling bestaat, dat als de stemmen van de bestuurders zouden staken en daarmee de bedrijfsvoering in gevaar komt, het dan de geëigende weg is om de Ondernemingskamer van het Amsterdamse Hof te adiëren, dat wat betreft [verzoeker] de broers samen de onderneming blijven runnen, en dat de kracht van het bedrijf nu juist gevormd wordt door de diverse, elkaar aanvullende en completerende kwaliteiten van de beide broers.” Volgens het onderdeel zijn deze laatste stellingen door verweerder sub 1 in diens verweer tegen de derde grief ook helemaal niet betwist.
de problemen tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1]’, een andere bewindvoerder dan [verzoeker] wenst, is dat (eerstgenoemde) oordeel (mede) in het licht van de klachten in onderdeel A onjuist en/of onvoldoende toereikend gemotiveerd, nu het Hof met deze problemen (kennelijk) doelt op de in de tweede zin van rov. 4.4 vermelde ‘
zodanig onoverkomelijke verschillen van mening dat {...} niet langer tot de mogelijkheden behoort’, en deze ‘onderdeel A’-klachten – kort gezegd – inhouden dat het onbegrijpelijk is dat het Hof geoordeeld heeft dat het bij deze verschillen van mening (mede resp. concreet) om het
beheergaat van
enig vermogensbestanddeel van vader.”
benoemingvan een bewindvoerder betreffende wetsbepaling volgt niet, laat staan zonder méér, dat bij de vraag of er (voldoende) gewichtige redenen zijn om een eenmaal benoemde bewindvoerder te
ontslaan‘dus’ uitgangspunt zou zijn dat de rechter de uitdrukkelijke voorkeur van de gerechtigde volgt.” Het slot van het onderdeel luidt: “Om deze reden is dat ‘gewichtige redenen’-oordeel voor zover het (mede) berust op hetgeen vader te kennen gegeven heeft (rov. 4.4) en/of heeft laten weten resp. verklaard (rov. 4.5) óók onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende (toereikend) gemotiveerd voor zover het niet berust op de gedachte dat bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] als bewindvoerder ontslagen moet worden weliswaar geen
uitgangspunt, maar wèl (zeer) substantieel relevant gezichtspunt is dat de rechter de voorkeur van vader volgt dat [verzoeker] als bewindvoerder ontslagen wordt.”
bewindover de goederen van vader, en dat als er (door bestuurders van [C] B.V.) besluiten genomen moeten worden die (wèl) het vermogen van vader aangaan –
èn[verzoeker] en [verweerder sub 1] daar niet uitkomen – nog altijd de weg van art. 1:437 lid 3 BW Pro begaanbaar is.” Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet op deze stelling heeft gerespondeerd.