ECLI:NL:PHR:2013:958

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2013
Publicatiedatum
15 oktober 2013
Zaaknummer
12/02747
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
  • Aben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrNAArt. 322 SrNAArt. 339 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling kapitein motorvaartuig voor zwaar lichamelijk letsel door onvoorzichtig varen nabij snorkelaars

De verdachte, kapitein van een motorvaartuig dat duikers vervoerde nabij Bonaire, werd door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzetting uit het kapiteinschap wegens aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend varen met een hogere snelheid dan passend in een gebied waar snorkelaars en zwemmers zich bevinden. Op 22 juli 2010 werd een snorkelaar door het vaartuig overvaren en zwaar lichamelijk letsel toegebracht.

Het hof stelde vast dat de verdachte onvoldoende uitkijk hield en geen veilige snelheid aanhield, ondanks zijn kennis van de vaarroute en de aanwezigheid van snorkelaars nabij de zogenaamde blauwe rand. Diverse getuigen bevestigden de locatie en omstandigheden van het ongeval. De verdediging voerde afwezigheid van schuld aan, maar dit werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof het begrip schuld juist heeft uitgelegd als aanmerkelijke onvoorzichtigheid en dat het bewijs en de motivering toereikend zijn. Klachten over het ontbreken van bewijs voor bepaalde feiten en de bekendheid met de situatie faalden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte wegens aanmerkelijk onvoorzichtig varen met een motorvaartuig nabij snorkelaars, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Conclusie

Nr. 12/02747 A
Zitting: 27 augustus 2013
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gemeenschappelijk hof van justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij vonnis van 24 mei 2012 de verdachte wegens primair “aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, terwijl dit misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig beroep, strafbaar gesteld bij artikel 321 in Pro verbinding met artikel 322 van Pro het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen” [1] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven. [2] Voorts heeft het hof de verdachte voor de duur van twee jaren ontzet van het recht om het beroep van kapitein van een motorvaartuig uit te oefenen.
2. De verdachte heeft zelf beroep in cassatie ingesteld en namens hem heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte “aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met een hogere snelheid dan gezien de situatie aldaar geboden was (…), in een gebied waar naar algemeen bekend is snorkelaars en zwemmers en duikers zich kunnen bevinden” heeft gevaren en dat de “letsels aan verdachtes schuld te wijten zijn”, mede in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Voorts heeft het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, geoordeeld dat er sprake is van “schuld” in de zin van art. 321 SrNA Pro, aldus de steller van het middel.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
“dat hij op 22 juli 2010 te Bonaire, als kapitein van een motorvaartuig genaamd [A], met dat motorvaartuig in de zee aan de zuidkust van het eiland Bonaire in de omgeving van Bachelor's Beach en iets ten zuiden van Bachelor's Beach, terwijl hij, verdachte, een beroep uitoefende als kapitein op een boot die duikers transporteert van een hotel naar duikplaatsen, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, met een hogere snelheid dan gezien de situatie aldaar geboden was, in de nabijheid van de zogenaamde 'blauwe rand', in een gebied waar naar algemeen bekend is snorkelaars en zwemmers en duikers zich kunnen bevinden, in noordelijke richting heeft gevaren, waardoor de op dat moment aldaar snorkelende [slachtoffer] door dat motorvaartuig werd overvaren en door de schroef van dat motorvaartuig werd geraakt, tengevolge van welke overvaring en aanraking, [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten:
- femurfractuur rechts op 1/3 van distaal (bovenbeenbreuk rechts op 1/3e vanaf de knie), en
- avulsiefractuur trochanter major rechts (afgescheurd stukje bot van de buitenkant rechter bovenbeen (bij heup)), en
- communitieve femurfractuur links (breuk met meerdere deeltjes linkerbovenbeen), en
- fractuur ramus inferior ossis pubis (breuk onderste deel van het schaambeen (kam)), en
- diverse grote open wonden op linkerbovenbeen en rechterbovenbeen,
welke letsels aan verdachtes schuld te wijten zijn.”
5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van dit feit het volgende vastgesteld. De verdachte was op Bonaire werkzaam als kapitein op boten die duikers transporteerden van het hotel Sand Dollar naar de duikplaatsen en terug (bewijsmiddel 1). Op 22 juli 2010 voer hij in die hoedanigheid samen met “dive master” [betrokkene 1] en enkele duikers in een boot met de naam [A] naar een plaats die bekend staat als Ellis in Wonderland (bewijsmiddelen 1 en 2). Toen de duikers klaar waren met duiken (omstreeks 12:45 uur), voer de verdachte vervolgens met de boot met een snelheid van ongeveer 4.200 toeren per minuut (16 mijl per uur) terug naar het hotel (bewijsmiddelen 1 en 2). Op enig moment heeft de boot in de buurt van Bachelor’s Beach een aanvaring gehad met [slachtoffer], die niet ver van de boeien aan het snorkelen was (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Op het moment van de aanvaring keken de verdachte en [betrokkene 1] naar voren in de zee, omdat er meestal dolfijnen met de boot meezwommen, hetgeen een attractie was voor de gasten in de boot (bewijsmiddel 2). Als gevolg van de aanvaring heeft [slachtoffer] het volgende letsel opgelopen: een breuk in het rechter bovenbeen, een afgescheurd stukje bot aan de buitenkant van het rechter bovenbeen, een breuk in het linker bovenbeen, diverse grote open wonden op het linker en het rechter bovenbeen en een breuk in het onderste deel van het schaambeen (bewijsmiddelen 5 en 6). Ten slotte heeft het hof tijdens de op 3 mei 2012 bij Bachelor’s Beach op Bonaire gehouden schouw waargenomen dat er in de zee boeien liggen in de nabijheid van de afscheiding tussen het lichtblauwe gedeelte en het donkerblauwe gedeelte van het water, de zogenaamde blauwe rand, en dat er ter hoogte van de blauwe rand meerdere inhammen van donkerblauwe gedeelten in het lichtblauwe gedeelte van de zee zijn (bewijsmiddel 4).
6. Zoals blijkt uit de kennelijk op de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2012 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, wegens afwezigheid van alle schuld. [3] De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er was voor de kapitein (de verdachte) geen aanleiding om extra voorzorgsmaatregelen te treffen, omdat de boot minstens 120 meter uit de kust voer en er geen boten waren afgemeerd. Voorts heeft de kapitein alles gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om te voorkomen dat er een incident als het onderhavige zou kunnen gebeuren. Hij heeft het gemotoriseerde vaartuig immers bestuurd op een dermate veilige afstand van de kust, op een dermate veilige koers en voorzien van een extra bemanningslid ([betrokkene 1]) als uitkijk, dat hij niet hoefde te verwachten dat hij extra diende op te letten of dat hij een extra lage snelheid in acht diende te nemen. Daartegenover schijnt het slachtoffer ([slachtoffer]) zich geenszins bewust te zijn geweest van de gevaren die zijn handelingen met zich meebrachten, aangezien het slachtoffer op veel te grote afstand uit de kust zwom, geen duidelijk zichtbare kleding c.q. zwemartikelen droeg, geen waarschuwingsmiddelen gebruikte en op geen enkele wijze heeft getracht om de bestuurder van de boot erop attent te maken dat hij zich aldaar in het water bevond. [4]
Daarnaast heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van voornoemde terechtzitting (kennelijk) in aanvulling op zijn pleitnota nog betoogd dat er geen reden is om verwijtbaarheid aan te nemen, nu de snelheid redelijk was, het zicht en de weersomstandigheden goed waren en men op de desbetreffende plaats op het desbetreffende tijdstip niet zonder meer zwemmers hoefde te verwachten.
7. Het hof heeft mede in reactie op dit verweer onder het kopje “bewijsoverwegingen” geoordeeld dat de aanvaring aan de schuld van de verdachte is te wijten, aangezien hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gevaren op het moment dat de aanvaring plaatsvond, nu de verdachte geen goede uitkijk heeft gehouden en geen veilige snelheid heeft aangehouden om aanvaringen met snorkelaars, zwemmers en duikers te voorkomen. [5] Het hof heeft daartoe het volgende overwogen.
Op het moment van de aanvaring was het slachtoffer niet ver van de boeien aan de zuidkust van Bonaire in de omgeving van Bachelor’s Beach aan het snorkelen in de nabijheid van de blauwe rand, waar het relatief ondiepe lichtblauwe gedeelte van de zee overgaat in het diepere donkerblauwe gedeelte van de zee.
Naar algemeen bekend kunnen zich aldaar snorkelaars, zwemmers en duikers bevinden.
Voorts heeft de verdachte zelf verklaard dat hij op de desbetreffende dag een voor hem vaste route voer, dat hij goed bekend is met de situatie ter plaatse, dat mensen vanaf Bachelor’s Beach gaan duiken en dat mensen die huizen hebben op de EEG Boulevard daar zwemmen en snorkelen. Bovendien hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat de aanvaring veel verder uit de kust dan in de nabijheid van de blauwe rand heeft plaatsgevonden, nu hij hierover wisselend heeft verklaard.
Ook acht het hof de verklaringen van de getuigen die de situatie vanaf de kust goed hebben kunnen waarnemen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]) betrouwbaar, terwijl aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet afdoet dat andere getuigen ([getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]) hebben verklaard dat zij het slachtoffer in het lichtblauwe gedeelte van de zee hebben gezien, mede gelet op het feit dat er ter hoogte van de blauwe rand meerdere inhammen van donkerblauwe gedeelten in het lichtblauwe gedeelte van de zee zijn. Uit al deze verklaringen valt af te leiden dat het slachtoffer op het moment van de aanvaring in de nabijheid van de blauwe rand zwom, zodat de verklaring van het slachtoffer in zoverre steun vindt in die verklaringen.
Daarnaast had de verdachte - gelet op het feit dat hij goed bekend was met de situatie ter plaatse op zijn vaste vaarroute - moeten beseffen dat het op het tijdstip van het ongeval niet zo onwaarschijnlijk was dat er mensen in de nabijheid van de blauwe rand in het water zouden zijn, dat hij met die mogelijkheid geen rekening hoefde te houden.
Bovendien voer de verdachte als kapitein van het motorvaartuig [A] met een snelheid van ongeveer 4.200 toeren per minuut (16 mijl per uur) het gebied in en heeft hij het slachtoffer overvaren zonder dat hij het slachtoffer heeft gezien.
Voorts is het niet aannemelijk geworden dat de verdachte het slachtoffer, dat in de zee aan zijn snorkelpijp herkenbaar was als snorkelaar, niet heeft kunnen zien snorkelen.
Daar komt bij dat de verdachte met [betrokkene 1] bezig was met het in zee kijken naar dolfijnen, terwijl van hem had mogen worden verwacht dat hij zijn voorzichtigheid en oplettendheid zou hebben verhoogd op het moment dat hij het gebied in de omgeving van Bachelor’s Beach invoer.
Daarnaast is van belang dat de verdachte beroepsmatig als kapitein op deze route tussen het hotel en de duikplaats voer.
Ten slotte neemt het hof de ernstige gevolgen in aanmerking die een aanvaring tussen een motorvaartuig en een snorkelaar, zwemmer of duiker kan hebben.
8. Onder schuld als delictsbestanddeel wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van art. 321 SrNA Pro wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. [6]
9. Voorts kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen - aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijke letsel uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. [7]
10. Voor het aannemen van schuld moet het gaan om een verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdachte kon anders handelen (vermijdbaarheid) en diende ook anders te handelen (verwijtbaarheid). De standaard waartegen gedrag wordt afgemeten wordt bovendien mede bepaald door de zogenaamde Garantenstellung, inhoudende dat van personen in een bepaalde hoedanigheid een bijzondere zorgplicht mag worden verwacht. Als iemand functioneel handelt met een bepaalde verantwoordelijkheid, worden de maatstaven van (on)voorzichtig gedrag mede daardoor bepaald. [8]
11. Degene die bij het per boot transporteren van duikers van een hotel naar duikplaatsen en terug optreedt als kapitein van het motorvaartuig heeft niet alleen een bepaalde verantwoordelijkheid ten opzichte van de duikers die hij vervoert maar ook ten aanzien van de zwemmers, snorkelaars en duikers die zich in de nabijheid van zijn boot in het water bevinden. De kapitein dient erop toe te zien dat zijn duikers uiteindelijk weer veilig aan wal geraken en dat hij tijdens de vaartocht met zijn boot niet in aanvaring komt met andere watergebruikers, onder meer door het water goed in de gaten te houden, uit te kijken voor zwemmers, snorkelaars en duikers en zijn snelheid daar waar dat nodig is (onder meer op plekken in het water waar hij dergelijke personen kan verwachten) te matigen. [9]
12. Het hof heeft geoordeeld dat de aanvaring aan de schuld van de verdachte is te wijten, aangezien hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gevaren op het moment dat de aanvaring plaatsvond, nu de verdachte geen goede uitkijk heeft gehouden en geen veilige snelheid heeft aangehouden om aanvaringen met snorkelaars, zwemmers en duikers te voorkomen.
13. In het licht van hetgeen hiervoor is uiteengezet over de betekenis van het bestanddeel “schuld”, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de steller van het middel betoogt, doet hieraan niet af dat het hof de - in de tenlastelegging vóór het bestanddeel “schuld” opgenomen - toevoeging “grove” in de bewezenverklaring heeft geschrapt en enkel “schuld” (sec) heeft bewezenverklaard. In de bewezenverklaring is het begrip schuld immers nader omschreven als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen, terwijl onder schuld als delictsbestanddeel - zoals hiervoor onder 8 reeds is opgemerkt - niet alleen grove schuld maar ook aanmerkelijke schuld kan worden begrepen.
14. Voorts is het oordeel van het hof gelet op het navolgende evenmin onbegrijpelijk. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat het ongeluk niet ver van de boeien in de nabijheid van de blauwe rand (de scheiding tussen het ondiepe lichtblauwe deel van de zee en het diepere donderblauwe deel van de zee) heeft plaatsgevonden. Deze vaststelling is in het licht van de zich bij de stukken van het geding bevindende verklaringen van diverse getuigen niet onbegrijpelijk. [10] Bovendien heeft de verdachte in zijn hoedanigheid van kapitein in een motorvaartuig gevaren op een route die hij naar eigen zeggen zeer goed kende. Daarnaast is niet aangevoerd noch anderszins aannemelijk geworden dat de verdachte op het moment dat hij met zijn boot de blauwe rand naderde lijn zijn snelheid heeft geminderd, terwijl uit zijn op de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2012 afgelegde verklaring volgt dat hij wist dat er in de directe omgeving werd gezwommen en gesnorkeld. De omstandigheid dat de verdachte kennelijk niet heeft gevaren met een snelheid die hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, maakt dat niet anders. Ten slotte heeft de verdachte ondanks zijn verantwoordelijkheid als kapitein ten aanzien van de zwemmers, snorkelaars en duikers die zich in de nabijheid van zijn boot in het water bevonden, niet naar hen uitgekeken maar heeft hij blijkens de voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2) enkel naar de zee gekeken teneinde dolfijnen te spotten. Daarbij stond het het hof in het licht van de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de feitenrechter vrij meer waarde te hechten aan de verklaring van [betrokkene 1] dan aan de verklaring van de verdachte zelf. [11] Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof gelet op hetgeen de raadsman ten aanzien van de (afwezigheid van) schuld heeft aangevoerd niet gehouden tot een nadere motivering.
15. Blijkens de toelichting bevat het middel voorts nog de klacht dat de in de bewijsoverweging opgenomen omstandigheid dat het slachtoffer in zee aan zijn snorkelpijp herkenbaar was als snorkelaar, niet blijkt uit enig bewijsmiddel.
16. Deze klacht doelt op hetgeen het hof mede in reactie op het verweer van de raadsman onder het hoofd “bewijsoverwegingen” heeft overwogen en meer in het bijzonder op de volgende passage:
“Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het slachtoffer, dat in zee herkenbaar was als snorkelaar aan zijn snorkelpijp, niet heeft kunnen zien snorkelen.”
17. Het hof heeft de omstandigheid dat het slachtoffer in zee aan zijn snorkelpijp herkenbaar was als snorkelaar, niet mede ten grondslag gelegd aan de verwerping van het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. Het hof heeft deze omstandigheid dan ook niet redengevend geacht voor de bewezenverklaring van het feit. [12] Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat uit de onderliggende stukken wel degelijk kan worden afgeleid dat het slachtoffer herkenbaar was aan zijn snorkelpijp. Getuige [getuige 5] heeft bij de rechter-commissaris immers verklaard dat het slachtoffer geen bijzonder zichtbare kleding of attributen droeg maar dat zijn snorkel wel boven het water uitstak. [13] Voorts heeft [slachtoffer] (het slachtoffer) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij een snorkel en een duikbril had, dat hij een zwarte zwembroek aanhad, dat hij verder niets bij zich had en dat hij geen zwemvliezen aanhad. [14] Daarnaast heeft getuige [getuige 7] bij de rechter-commissaris verklaard dat het slachtoffer een snorkel en een donker gekleurde zwembroek had maar dat hij verder niets opvallends of gekleurds aanhad toen hij aan het snorkelen was. [15] Derhalve heeft het hof voornoemde omstandigheid kennelijk ontleend aan de verklaringen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 7] en van het slachtoffer [slachtoffer].
18. Blijkens de toelichting behelst het middel ten slotte de klacht dat de in de bewijsoverweging opgenomen omstandigheid dat algemeen bekend is dat zich in de nabijheid van de blauwe rand snorkelaars, zwemmers en duikers kunnen bevinden, niet blijkt uit de bewijsmiddelen en evenmin door het hof bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gesteld.
19. Ook deze klacht doelt op hetgeen het hof mede in reactie op het verweer van de raadsman onder het hoofd “bewijsoverwegingen” heeft overwogen en meer in het bijzonder op de volgende passage:
“Op het moment van de aanvaring was het slachtoffer niet ver van de boeien aan de zuidkust van Bonaire in de omgeving van Bachelor's Beach en ten zuiden van Bachelor's Beach aan het snorkelen in de nabijheid van de blauwe rand waar het relatief ondiepe lichtblauwe gedeelte van de zee gezien vanaf de kust overgaat in het diepere donkerblauwe gedeelte van de zee. Naar algemeen bekend kunnen zich aldaar snorkelaars, zwemmers en duikers bevinden.”
20. Nog daargelaten dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ingevolge art. 339, tweede lid, Sv geen bewijs behoeven en dat - tenzij niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven - geen rechtsregel de rechter ertoe dwingt een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen, heeft het hof voornoemde omstandigheid wel degelijk op de terechtzitting aan de orde gesteld, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2012 namelijk zelf verklaard dat Bachelor’s Beach (weliswaar) niet bijzonder populair is bij snorkelaars of andere watersporters en dat (het antwoord op de vraag) of er daar veel mensen in het water zijn afhangt van de dag van de week en het seizoen, maar dat de bewoners van EEG-boulevard er natuurlijk wel zwemmen en snorkelen. [16]
21. Ten overvloede merk ik nog op dat het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat zich op een bepaalde plek in de zee (in de nabijheid van de blauwe rand in de omgeving van Bachelor’s Beach) snorkelaars, zwemmers en duikers bevinden, als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden, niet onbegrijpelijk is. Van algemene bekendheid zijn immers die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. De in de klacht bedoelde overweging van het hof behoefde derhalve niet te worden ondersteund door enig bewijsmiddel. [17]
22. Kortom, gelet op de hiervoor onder 5 weergegeven vaststellingen heeft het hof in het licht van zijn hiervoor onder 7 weergegeven bewijsoverwegingen uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte als kapitein van een motorvaartuig
aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gevarenmet een hogere snelheid dan gezien de situatie aldaar was geboden, in de nabijheid van de zogenaamde blauwe rand en in een gebied waar naar algemeen bekend is snorkelaars, zwemmers en duikers zich kunnen bevinden, waardoor de aldaar snorkelende [slachtoffer] door dat motorvaartuig is geraakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dat aan de
schuld van de verdachte is te wijten. De bewezenverklaring is derhalve naar de eis der wet met redenen omkleed.
23. Het middel faalt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.

Voetnoten

1.De tekst van art. 321 en Pro art. 322 van Pro het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen komt (afgezien van de hoogte van de in de eerste alinea van art. 321 genoemde Pro geldboete) overeen met de tekst van art. 321 en Pro art. 322 van Pro het Wetboek van Strafrecht BES. Omdat het feit is begaan vóór 10 oktober 2010, te weten op 22 juli 2010, zijn de oude bepalingen toegepast.
2.Het hof heeft als bijzondere voorwaarde gesteld dat de verdachte 240 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte zal verrichten, dat die werkzaamheden binnen 6 maanden na het ingaan van de proeftijd dienen te zijn aangevangen en dat de werkzaamheden binnen 2 jaren na die aanvang dienen te zijn voltooid.
3.Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2012 vermeldt weliswaar niet expliciet dat de raadsman een pleitnota heeft overgelegd maar houdt onder het kopje “pleidooi” wel in dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd. Voorts bevindt de pleitnota zich bij de stukken van het geding, terwijl deze in de aanhef wordt aangeduid met de term “pleidooi”. Hieraan doet niet af dat in de aanhef van de pleitnota tevens staat vermeld “behandeling d.d. 2 februari 2012 om 13.30 uur bij het Gerecht in Eerste Aanleg te Bonaire”. Op de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2012 heeft immers geen inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden, terwijl uit de inhoud van de pleitnota kan worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de appelfase (al komt deze inhoud grotendeels overeen met de inhoud van de in eerste aanleg overgelegde pleitnota).
4.Pleitnota in hoger beroep, p. 6-7.
5.Het hof heeft onder het kopje “strafbaarheid van de verdachte” geoordeeld dat het beroep op afwezigheid van alle schuld niet aannemelijk is geworden en daarbij verwezen naar zijn bewijsoverwegingen.
6.Vgl. HR 12 juni 2012,
7.Vgl. HR 30 november 2010,
8.Vgl. J. de Hullu,
9.Vgl. HR 14 november 2000,
10.[getuige 1] heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat het ongeluk vijf à tien meter in het donkerblauwe deel van de zee, voorbij de boeien heeft plaatsgevonden. [getuige 2] heeft zowel bij rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat het slachtoffer niet verder dan vijftien meter in het donkerblauwe deel van de zee, vanaf de boeien geteld, aan het snorkelen was. [getuige 3] heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat het ongeval net buiten de boeien, ongeveer tien meter in het donkerblauwe gedeelte van de zee is gebeurd. [slachtoffer] (het slachtoffer) heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat hij heel dicht bij de boeien, in het lichtblauwe gedeelte van de zee aan het snorkelen was. [getuige 7] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het slachtoffer zich bevond ter hoogte van de “drop off”, op de plek waar het water van kleur verandert. [getuige 5] heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat het slachtoffer in het lichtblauwe gedeelte van de zee heeft gesnorkeld. [betrokkene 2] (de vrouw van het slachtoffer) heeft bij de politie verklaard dat de boot erg dicht bij de boeien voer. [getuige 8] heeft bij de politie verklaard dat de boot in het lichtblauwe gedeelte van de zee voer. [getuige 6] heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de politie verklaard dat het slachtoffer zich in het lichtblauwe gedeelte van de zee bevond.
11.De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 3 mei 2012 verklaard dat [betrokkene 1] en hij zoals altijd gewoon op de uitkijk stonden voor alles wat van belang is, dolfijnen, schildpadden en obstakels in het water.
12.Vgl. HR 23 oktober 2007,
13.Proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris van 11 april 2011.
14.Proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris van 20 december 2011.
15.Proces-verbaal van verhoor van getuige door de rechter-commissaris van 20 december 2011.
16.Vgl. HR 12 juli 2011,
17.Vgl. HR 11 januari 2011,