Conclusie
De verdachte wordt verweten dat hij - kort gezegd - escortservice-werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de in de tenlastelegging genoemde vrouwen, die in Nederland als prostituee werkten, terwijl hij wist dan wel ernstige reden had te vermoeden dat deze vrouwen niet in Nederland mochten werken en om die reden ook niet in Nederland mochten verblijven, zodat hun verblijf om die reden wederrechtelijk was.
Zoals hiervoor ten aanzien van feit 1 reeds is overwogen volgt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet dat [betrokkene 1] door de verdachte of door anderen, in het buitenland is aangeworven om naar Nederland te komen om hier in de prostitutie te gaan werken. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is evenmin gebleken dat de verdachte deze gedragingen heeft verricht ten opzichte van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] alias [betrokkene 3]. Bewezen kan slechts worden dat de verdachte de genoemde vrouwen uit winstbejag behulpzaam is geweest in het kader van door hem uitgevoerde escortwerkzaamheden als deze vrouwen reeds in Nederland zijn. Maar daaruit volgt niet noch is gebleken dat bij deze werkzaamheden sprake is geweest van dwang of uitbuiting van deze vrouwen, aan welke uitbuiting de verdachte op enigerlei wijze behulpzaam is geweest. Anders dan in HR 26 september 2006, NJ 2006, 541, LJN AY8857 is in het onderhavige geval dan ook geen sprake van handelingen van de verdachte, verricht in het kader van het door deze vrouwen gedwongen werken in de prostitutie.
Nu op zichzelf het werkzaam zijn in de prostitutie in Nederland niet strafbaar is, alsmede gelet op het doel en de strekking van artikel 197a van het Sr (oud), te weten het tegengaan van op uitbuiting gerichte mensensmokkel - dat is, in de bewoordingen van de nota naar aanleiding van het verslag, kamerstuk 29 291, nr 7, p.3 met betrekking tot wijziging van artikel 197a Sr: "illegalen tegen betaling van vaak grote bedragen helpen bij hun illegale immigratie" - valt naar het oordeel van het hof, het handelen van de verdachte bij deze stand van zaken - nu van mensensmokkel als zodanig in casu geen sprake is - buiten de reikwijdte van deze strafbepaling. Daarmee vervalt de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde feit, zodat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.”
De voorgestelde delictsomschrijving bevat een objectief bestanddeel, waarin de wederrechtelijkheid van de toegangsverschaffing of het verblijf tot uitdrukking is gebracht. De daartoe gebruikte term «wederrechtelijk» beoogt hier, zoals elders in het Wetboek van Strafrecht waar de wederrechtelijkheid in de strafbaarstelling zelf is verwoord, voor de aansprakelijkheid de eis te stellen dat de handeling waarop het bijwoord betrekking heeft is verricht zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid (zie: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer, Het Wetboek van Strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, 5 delen, 1e deel, inleiding, supplement 28, p. 19). De hulp moet dus verleend zijn ten opzichte van iemand die tot het verblijf of de toegang in onderscheidenlijk tot Nederland of het Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. Het bestanddeel is ten opzichte van de voorgestelde schuldvormen geheel gesubjectiveerd: de culpa of het strafbare opzet hebben rechtstreeks betrekking op de wederrechtelijkheid van het verblijf of de toegang. Het Openbaar Ministerie zal dus in de meeste gevallen verstandig doen naast het opzet subsidiair de culpa ten laste te leggen, opdat de dader niet vrijgesproken wordt, ingeval aannemelijk is dat hij niet wist maar heel goed had kunnen en behoren te weten dat degeen, op wie zijn behulpzaamheid betrekking had, geen recht op evengemelde toegang of verblijf had. Een wettelijke bedreiging met gevangenis-straf van ten hoogste één jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt voorgesteld omdat het hier gaat om een gedraging uit louter winstoogmerk, die voor de dader bijzonder lucratief kan zijn. De sanctie behoort daarom, uit generaal-preventieve overweging, zwaar te kunnen zijn. Wordt het feit begaan de uitoefening van enig ambt of beroep dan geeft het tweede lid van artikel 197a ruimte tot strafverzwaring. De voorgestelde plaatsing van het artikel wordt gerechtvaardigd door het gegeven dat de strafbaar gestelde daad zich richt tegen het openbaar gezag, op een wijze niet ongelijk aan de bij artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht verboden gedraging. Hieraan doet niet af, dat de verboden behulpzaamheid uit winstbejag wordt begaan. Dit verrijkingsmotief biedt geen rechtsgrond om van een vorm van strafbare begunstiging te spreken, wat tot rubricering in de aan begunstiging gewijde Titel XXX van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht zou nopen. Bij begunstiging gaat het typisch om een gedraging die achteraf, nadat het misdrijf reeds is begaan, de dader van dat misdrijf zekere voordelen brengt. De hier bij artikel 197a verboden daad geschiedt daarentegen vóór of tegelijkertijd met het wederrechtelijk verblijf of de wederrechtelijke toegangsverschaffing, terwijl deze, zoals reeds aangegeven, op zichzelf niet delictueel zijn.” [5]
a. werkzaam zijn in de prostitutie in Nederland is op zichzelf niet strafbaar;
b. doel en strekking van art. 197a, eerste lid, (oud) Sr, "te weten het tegengaan van op uitbuiting gerichte mensensmokkel, in de bewoordingen van de nota naar aanleiding van het verslag, kamerstuk 29 291, nr. 7, p. 3 met betrekking tot wijziging van art. 197a Sr: "illegalen tegen betaling van vaak grote bedragen helpen bij hun illegale immigratie"."
c. van mensensmokkel als zodanig is in het onderhavige geval geen sprake.
Mensensmokkel
In de memorie van toelichting zijn de overwegingen genoemd die ten grondslag liggen aan het voorstel om gebruik te maken van de in de richtlijn inzake mensensmokkel geboden mogelijkheid om een humanitaire clausule op te nemen voor hulp bij illegale binnenkomst en doorreis. Ingevolge de richtlijn inzake mensensmokkel geldt voor hulp bij illegale binnenkomst en doorreis in een van de lidstaten niet langer het bestanddeel winstbejag. Mensensmokkel wordt daarmee zonder meer strafbaar. Op de vervolgende instantie rust niet langer de last het bestanddeel winstbejag te bewijzen. Ter compensatie van het schrappen van voornoemd bestanddeel is een optionele rechtvaardigingsgrond opgenomen in de richtlijn. Nederland heeft zich destijds bij de onderhandelingen over deze richtlijn met steun van het parlement ingezet voor een dergelijke optionele clausule. Voorgesteld is om van deze optie gebruik te maken en een uitdrukkelijke rechtvaardigingsgrond in artikel 197a Sr op te nemen. Naar het oordeel van de regering is dit een evenwichtig voorstel, omdat het een goede balans houdt tussen het belang van een effectieve strafrechtelijke aanpak van mensensmokkel en het belang van bescherming van personen en instellingen die handelen uit humanitaire beweegredenen. Enerzijds kan schrapping van het bestanddeel winstbejag de strafrechtelijke aanpak van mensensmokkel faciliteren. Anderzijds wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de belangen van personen die louter op humanitaire gronden en zonder uit te zijn op geldelijk gewin vreemdelingen behulpzaam zijn om bij illegale binnenkomst in Nederland of een van de landen die vallen onder het bereik van artikel 197a Sr. Het voorstel houdt ook rekening met de verschillende gevoelens en opvattingen die hieromtrent in de samenleving leven. Het is verder van belang hierbij het volgende goed voor ogen te houden. In de eerste plaats is artikel 197a Sr gericht op de aanpak van mensensmokkelaars, dat zijn personen of groepen van personen die illegalen – tegen betaling van – vaak– grote bedragen – helpen bij hun illegale immigratie. In de tweede plaats wordt, wanneer al sprake is van humanitaire bijstand aan illegalen, deze veelal gegeven aan vreemdelingen die reeds in Nederland verblijven. Voor die bijstand blijft het bestanddeel winstbejag bestaan.
Niet kan worden uitgesloten dat hulp bij illegale binnenkomst of doorreis ook wordt geboden door kerkelijke of ideële instellingen uitsluitend op grond van menselijke overwegingen vanuit hun godsdienstige of geestelijke opvatting. Degene die aldus heeft gehandeld, kan een beroep doen op deze clausule. Maar dan zal hij aannemelijk moeten maken dat het uitsluitend humanitaire overwegingen zijn geweest die hem hebben bewogen de hulp te bieden. Het is denkbaar dat personen of instellingen ten onrechte een beroep doen op deze clausule. Dit misbruik zal geen doel treffen, omdat zulke beroepen zullen stranden wegens het niet hard kunnen maken van het humanitair handelen. De verwachting is gerechtvaardigd dat de rechtspraktijk strenge eisen zal stellen aan degenen die op deze rechtvaardigingsgrond een beroep doen. Daarvan zal een ontmoedigende werking uit gaan.
Met het schrappen van het bestanddeel winstbejag uit de strafbaarstelling van hulp bij illegale binnenkomst en doorreis hebben de lidstaten de strafbaarstelling van mensensmokkel aangescherpt en zijn daarmee verder gegaan dan het protocol inzake mensensmokkel en ook verder dan artikel 27 van Pro de Uitvoeringsovereenkomst Schengen. De Kamer heeft met die aanscherping ingestemd. Schrapping van dit bestanddeel kan als gezegd de strafrechtelijke aanpak van mensensmokkel vergemakkelijken. Het gaat om bestrijding van – veelal georganiseerde – criminaliteit. Bestrijding van mensensmokkel levert een bijdrage aan reductie van illegale immigratie. Naar mijn oordeel zijn de zorgen van deze leden over de omkering van de bewijslast ongegrond. Personen of instellingen die handelen uit ideële en humanitaire motieven zonder oogmerk van eigen bestanddeel winstbejag strekt ertoe de strijd tegen mensensmokkelaars te verbeteren en beoogt niet de positie van voornoemde personen of instellingen te verslechteren. Het voorstel komt de strafrechtelijke aanpak van mensensmokkel ten goede, terwijl de positie van goedwillenden in de praktijk niet zal veranderen.
De lidstaten zijn ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn gehouden om dit bestanddeel, voor zover opgenomen in hun wetgeving, uit de strafbepaling inzake mensensmokkel te schrappen, voor zover het hulp bij illegale binnenkomst en doorreis betreft. De vraag hoeveel lidstaten gebruikmaken van de optionele humanitaire clausule is uitgezet. Ik verwacht daarover bij de behandeling van het wetsvoorstel nadere informatie te kunnen geven.
Als gezegd wordt voorgesteld om het bestanddeel winstbejag te handhaven bij hulp bij illegaal verblijf. Dit begrip is opgenomen in artikel 197a Sr en in artikel 27 Uitvoeringsovereenkomst Schengen. Van winstbejag is sprake indien de handeling is gericht op verrijking. Voor de vervulling van dit bestanddeel is niet nodig dat verrijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit begrip komt naar strekking en inhoud overeen met de term die in het protocol inzake mensensmokkel wordt gebezigd: teneinde rechtstreeks of onrechtstreeks, een financieel of ander materieel voordeel te verkrijgen. De term winstbejag is kort en kernachtig en is in onze strafwetgeving ingeburgerd. Het is dus niet nodig deze term te vervangen door de uitgebreidere omschrijving in het protocol.” [7]
Mensensmokkel is altijd grensoverschrijdende criminaliteit. De gesmokkelden zijn illegale vreemdelingen. Mensenhandel is vaak grensoverschrijdend van karakter, maar behoeft dat niet te zijn. Ook binnen de landsgrenzen kunnen mensen worden verhandeld. Slachtoffers van mensenhandel in Europa zijn meestal vreemdeling, vaak illegaal. Mensensmokkel en mensenhandel zijn meestal vormen van georganiseerde criminaliteit. Maar mensensmokkelaars en mensenhandelaren kunnen ook buiten het verband van een criminele organisatie opereren. Zowel met mensensmokkel als met mensenhandel wordt veel geld verdiend.
Gelet op de maximumstraffen die voor mensensmokkel en mensenhandel zonder bijkomende omstandigheden in Nederland kunnen worden opgelegd, acht de wetgever mensenhandel een ernstiger feit dan mensensmokkel. Op mensensmokkel staat ten hoogste vier jaar gevangenisstraf, op mensenhandel zes jaar. De ernst van mensensmokkel neemt toe, wanneer deze gepaard gaat met schending van elementaire mensenrechten. Er is terecht alom grote publieke afschuw en politieke ontsteltenis over mensensmokkel wanneer het transport van de gesmokkelde personen plaatsvindt onder mensonterende omstandigheden.
Tussen mensensmokkel en mensenhandel bestaan derhalve verschillen en overeenkomsten. Hoewel er raakvlakken bestaan tussen beide strafbare feiten, is het goed deze uit elkaar te houden. Er bestaat samenhang en samenloop tussen mensensmokkel en mensenhandel, wanneer de gesmokkelde persoon in een situatie van uitbuiting geraakt om zijn of haar schuld aan de smokkelaar terug te betalen. Het komt dan ook voor dat mensenhandel en mensensmokkel beide worden telastegelegd.” [8] .