Conclusie
Het middel
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard kon worden omdat een politieparketsecretaris, een collega van het slachtoffer, de vervolgingsbeslissing nam. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard wegens schijn van belangenverstrengeling en strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
De verdediging voerde aan dat de vervolgingsbeslissing onrechtmatig was omdat deze was genomen door een politieparketsecretaris en dat geen transactie was aangeboden, wat in strijd zou zijn met de richtlijnen. Het hof stelde dat hoewel de politieparketsecretaris bevoegd was op grond van mandaat, de uitoefening van deze bevoegdheid in dit geval de schijn van belangenverstrengeling wekte, waardoor het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het enkele feit dat de vervolgingsbeslissing door een collega van het slachtoffer is genomen, niet zonder meer een schending van een erkend beginsel van behoorlijke procesorde oplevert. De Raad benadrukte dat het OM het vervolgingsmonopolie heeft en belangen van het slachtoffer behartigt, waardoor belangenverstrengeling niet eenvoudig kan worden aangenomen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bepaalde dat het OM ontvankelijk is in de vervolging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het OM ontvankelijk in de vervolging.