De zaak betreft een verdachte die op 4 januari 2011 samen met een ander een Apple Mac Book Pro laptop in Utrecht had en overgedragen, waarvan werd beweerd dat hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof Arnhem had de verdachte subsidiair veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens opzetheling.
De bewijsmiddelen bestonden uit verklaringen van de eigenaar van de woning waaruit de laptop was gestolen, de eigenaar van een belwinkel waar de laptop werd verkocht, verklaringen van verbalisanten die het onderzoek uitvoerden, en de verdachte zelf. Uit de verklaringen bleek dat de laptop inderdaad was gestolen en door de verdachte was verkocht, maar er ontbrak een duidelijke motivering dat de verdachte wist dat de laptop gestolen was.
De verdachte kende de mededader van voetbal en er was geen bewijs dat hij wist dat deze crimineel was of dat de laptop gestolen was. Het hof had niet voldoende gemotiveerd waarom het aannemelijk was dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de criminele herkomst van de laptop bewust had aanvaard.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting. Tevens merkt de procureur-generaal op dat de kwalificatie medeplegen van opzetheling had moeten luiden, maar hierover wordt niet geklaagd.