ECLI:NL:PHR:2013:965

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2013
Publicatiedatum
15 oktober 2013
Zaaknummer
11/05124
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verstekverlening bij afwezigheid verdachte in hoger beroep ondanks detentie

In deze zaak heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hij niet ter terechtzitting verscheen. De verdachte was op het moment van de zitting gedetineerd, wat aanleiding gaf tot het middel dat het Hof ten onrechte verstek had verleend. De verdediging stelde dat de verdachte niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn.

Uit de processtukken bleek dat de dagvaarding correct was betekend en dat de verdachte op het moment van de zitting formeel niet gedetineerd was. Een faxbericht van de Penitentiaire Inrichting bevestigde dat de verdachte vanaf het tijdstip van de zitting in verzekering was gesteld, maar het tijdstip van de feitelijke vrijheidsberoving was onduidelijk. Het Hof had de zaak kunnen voortzetten zonder het aanwezigheidsrecht te schenden.

De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde dat het verstek tegen de verdachte terecht was verleend. Er waren geen gronden om de uitspraak ambtshalve te vernietigen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het Hof heeft terecht verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte ondanks diens detentie tijdens de zitting.

Conclusie

Nr. 11/05124
Mr. Jörg
Zitting 27 augustus 2013
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij arrest van 17 november 2011 heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Namens de verdachte heeft mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. In het
middelwordt geklaagd dat het Hof het aanwezigheidsrecht van de verdachte heeft geschonden, nu (achteraf) is gebleken dat de verdachte ten tijde van de behandeling van het beroep gedetineerd was.
4. Uit de stukken van het geding blijkt dat de verdachte is gedagvaard om op 17 november 2011 te 10.50 uur ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen. Blijkens de akte van uitreiking is, nadat de dagvaarding tevergeefs op 9 september 2011 is aangeboden op verdachtes GBA-adres en nadat het zonder op het postkantoor afgehaald te zijn retour is gekomen, als gewone brief naar het GBA-adres van de verdachte gezonden. Blijkens de ID-staat SKDB van 7 september 2011 was de verdachte toen niet gedetineerd. Voorts heeft de raadsman van de verdachte - tevens steller van het middel [1] - die zich op 12 juni 2010 had gesteld, op 7 september 2011 een afschrift van de dagvaarding ontvangen.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
adres: [adres],
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.C. Bosch, advocaat te Rotterdam, die mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
(…)
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
6. Aan de schriftuur is gehecht een faxbericht van de Penitentiaire Inrichting Torentijd. Dit faxbericht houdt in:
“Ondergetekende: bij de Penitentiaire Inrichting Torentijd te Middelburg, bevestigt bij deze, de opgemaakte:
Detentieverklaring d.d. 15 juni 2012
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum]/1982 te [geboorteplaats]
Betrokkene is sinds 17/11/2011 in verzekering gesteld en ingeschreven in PI Middelburg sinds 17/11/2011.
Het betreft hier een afgestrafte gedetineerde met een straftijd [van wie] de ontslagdatum was op 08/12/2011.
De directeur,
namens deze
(…)”
7. Het aan de schriftuur gehechte faxbericht biedt onvoldoende steun aan de stelling dat de verdachte op 17 november 2001 te 10.50 uur niet ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig kon zijn. Zou de behandeling tegen het eind van de middagzitting hebben plaats gevonden zou dan anders kunnen liggen. Het Hof heeft bij deze stand van zaken echter zonder het aanwezigheidsrecht te schenden met de behandeling van de zaak kunnen voortgaan. Anders dan in de door de steller van het middel aangehaalde zaak is niet duidelijk hoe laat op 17 november 2011 de verdachte van overheidswege van zijn vrijheid werd beroofd. [2]
8. Het middel faalt. Ik heb geen gronden aangetroffen waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten worden vernietigd.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend A-G

Voetnoten

1.Overigens ook de raadsman die de verdachte in eerste aanleg bijstond. Ook daar is de verdachte niet verschenen en was de raadsman evenmin gevolmachtigd.
2.Vgl. een andere zaak van 21 december 2010, LJN BN9201. In de door de raadsman aangehaalde zaak (LJN BO2974) stond het moment van de inverzekeringstelling wel vast.