6.Voorts heeft het Hof met betrekking tot het bewijs overwogen:
“
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.
Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat van roekeloosheid geen sprake is, nu niet gesteld kan worden dat verdachte welbewust onaanvaardbare risico's heeft genomen, zodat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd:
- dat niet bewezen kan worden, ook niet op basis van het technisch rapport, dat verdachte met een snelheid van ongeveer 115 km/u door rood licht is gereden;
- dat de verdachte heeft verklaard dat het laatste moment dat hij zich kan herinneren het moment was dat hij ongeveer 600 meter voor de kruising reed en dat hij zich niets meer van het ongeval zelf kan herinneren;
- dat de verdachte niet welbewust een bijdrage heeft geleverd aan de verkeersagressie voorafgaand aan het ongeval en dat hij mogelijk uit paniek heeft gehandeld of dat hij onder invloed van een doodsbedreiging heeft gehandeld.
Op basis van de stukken in het dossier overweegt het hof het navolgende.
Op 8 oktober 2009, omstreeks 21.54 uur, heeft op de kruising van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Midden-Brabantweg met de Heikant/Zevenheuvelenweg, een aanrijding plaatsgevonden tussen twee personenauto's waarbij twee dodelijke slachtoffers zijn gevallen.
De verdachte is die avond als bestuurder van een personenauto, merk Mazda, over de Midden-Brabantweg gereden in de richting van Tilburg. Bij het eerste verkeerslicht, gezien vanaf de Rijksweg A59, wilde de verdachte een voor hem rijdende Volkswagen Golf inhalen, terwijl die voorganger op de linkerrijstrook bleef rijden. Op het moment dat de verkeerslichten groen uitstraalden zijn beiden gelijktijdig opgetrokken. De verdachte heeft zijn snelheid opgevoerd en heeft bewust de maximaal toegestane snelheid overschreden. Hierop volgde een situatie waarbij verdachte en de door hem bij het wegrijden van de verkeerslichten voorgebleven Golf elkaar wisselend op de rechter- en linkerrijstrook inhaalden. Op enig moment zijn beide voertuigen met hoge snelheid afgereden op de kruising Midden-Brabantweg/Heikantlaan in de richting van Tilburg-Centrum. De verdachte is via de linkerrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer de voormelde kruising opgereden, terwijl de verkeerslichten in zijn richting rood uitstraalden. Vervolgens is een aanrijding ontstaan tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en een van links komende personenauto, merk Volvo, die bezig was om de kruising rechtdoorgaand op te rijden, waardoor de twee inzittenden van de Volvo werden gedood.
Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat verdachte niet bewust een bijdrage heeft geleverd aan de verkeersagressie voorafgaand aan het ongeval overweegt het hof het volgende.
Uit de verklaringen van de getuige [getuige 6] en [getuige 7] kan worden afgeleid dat niet alleen bij de bestuurder van de VW Golf sprake was van bijzonder verkeersgedrag, maar ook van de zijde van de verdachte. Op basis van de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg kan zelfs worden gesteld dat verdachte degene is geweest die het initiatief heeft genomen tot het verkeersgevaarlijke 'kat- en muisspel' voorafgaand aan de aanrijding.
Op 9 oktober 2009 heeft de verdachte bij de politie onder meer het volgende verklaard:
"Voordat ik voor dit verkeerslicht gestopt was, viel mij een Golf 6-serie op, omdat die op de linkerrijstrook bleef rijden terwijl de rechterrijstrook vrij was en ik er langs wilde. Ter hoogte van die verkeerslichten, stond die Golf op de linkerrijstrook en ik op de rechterrij strook. (...) Toen de verkeerslichten groen werden, zag ik dat wij beiden optrokken. Ik begon steeds harder te rijden. Ik reed op zijn hoogst 120 kilometer per uur. Ik zag dat die Golf mij bleef volgen. Ik vond dat niet zo erg. Ik had hem eerder namelijk zelf gevolgd. Ik reed continue op kop. Ik reed afwisselend op de rechter- en linkerrijstrook, aangezien ik af en toe auto's in moest halen.
Ik reed de hele tijd ongeveer 120 kilometer per uur. Volgens mij mag je daar 100 kilometer per uur rijden. Op een gegeven moment werd ik door die Golf ingehaald en schat dat die ongeveer 120 à 130 kilometer per uur reed. Ik reed op dat moment ter hoogte van een kleine afrit, gelegen aan het begin van een autowijk aan de rechterzijde van de weg gelegen op een industrieterrein, een aantal honderden meters van de verkeerslichten/kruising Heikant gelegen."
Op 23 februari 2011 heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg onder meer het volgende verklaard:
"Toen het groen werd, trok ik op en passeerde ik de auto's die eerder tussen ons opgesteld stonden. Ik merkte dat de Golf nog steeds op de linkerrijstrook bleef rijden, terwijl de rechter vrij was. Ik raakte hierdoor lichtelijk geïrriteerd en haalde de Golf via de rechterrij strook in. Toen merkte ik dat de Golf mij ging volgen. Ik denk nu dat het de bestuurder van de Golf geïrriteerd heeft, dat ik hem rechts voorbij ben gegaan. De situatie op de Midden- Brabantweg kende ik goed. Ik wist toen ook dat de maximum toegestane snelheid daar 100 kilometer per uur is en dat deze bij de aanloop naar kruisingen afloopt van 70 kilometer per uur naar 50 kilometer per uur bij de verkeerslichten. Ik probeerde de Golf voor te blijven, daarom ging ik hard rijden, te hard. Zo probeerde ik de Golf kwijt te raken. Ik bedacht mij dat ik weg zou kunnen komen als de Golf zich aan de verkeersregels zou houden. Daarom trapte ik het gaspedaal in tot ongeveer 140 kilometer per uur, maar de Golf bleef mij toch op korte afstand volgen. Ik zag dat een verkeerslicht op groen sprong toen ik daar net aan kwam rollen. Ik drukte kort op het rempedaal om een remreactie bij de bestuurder van de Golf teweeg te brengen."
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte op voornoemde kruising door rood licht is gereden. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 5] en wordt ook niet betwist door de verdediging. Uit de berekening van FTO volgt dat het verkeerslicht minimaal 6,3 seconden op rood heeft gestaan op het moment dat verdachte het verkeerslicht passeerde.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op ongeveer 600 meter voor de kruising het verkeerslicht heeft gezien. Het hof gaat er vanuit dat de verdachte met een snelheid van ongeveer 115 km/u de kruising is opgereden. Daarbij neemt het hof in aanmerking het proces-verbaal van het KLPD, waarin het onderzoek staat beschreven naar de indicatieve snelheid van het voertuig van verdachte ten tijde van de aanrijding. De simulatie die het dichtst bij de werkelijkheid lag, werd verkregen bij een snelheid van ongeveer 115 km/u. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de uitkomst van dit onderzoek. Het hof neemt voorts in aanmerking de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij op ongeveer 600 meter vóór de kruising op zijn snelheidsmeter heeft gekeken en dat hij zag dat hij ongeveer 75 km/u reed. Tot slot merkt het hof op dat de getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat twee van rechts, vanuit Kaatsheuvel, komende auto's, zijn komen 'aanvliegen' en dat deze auto's hard de kruising zijn opgereden. Op grond van het dossier begrijpt het hof dat de verdachte de bestuurder van een van deze auto’s is geweest.
Het hof vindt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat verdachte uit paniek of onder invloed van een doodsbedreiging heeft gehandeld. Ook indien de verdachte zich thans niet meer kan herinneren op welke wijze de aanrijding heeft plaatsgevonden, zegt dit niets over zijn toestand op het moment van handelen. Het hof heeft geen redenen om aan te nemen dat verdachte niet willens en wetens met hoge snelheid door het rode licht is gereden.
Het hof is van oordeel dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn overleden. Met de advocaat-generaal, en anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos. Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico's zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest. De verdachte heeft in ernstige mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u overschreden door met een snelheid van ongeveer 115 km/u te rijden en vervolgens met die snelheid een kruising op te rijden, terwijl het verkeerslicht in zijn richting rood uitstraalde. De verdachte heeft hiermee onaanvaardbare risico's genomen.
Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De verweren van de verdediging worden verworpen.”