ECLI:NL:PHR:2013:977

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2013
Publicatiedatum
17 oktober 2013
Zaaknummer
13/02544
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:159 BWArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling contractsoverneming huurovereenkomst en niet-ontvankelijkheid cassatieberoep

Het cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarin werd geoordeeld dat een derde door contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW Pro in de plaats is getreden van de oorspronkelijke huurder. Hierdoor is de oorspronkelijke huurder niet langer aansprakelijk voor de huurtermijnen vanaf 1 augustus 2010.

De Procureur-Generaal stelt dat de middelen die het cassatieberoep ondersteunen geen behandeling rechtvaardigen omdat zij geen cassatie kunnen leiden. Het hof heeft een feitelijke waardering gegeven aan de omstandigheden en een uitleg van de huurovereenkomst, wat in cassatie niet ter discussie kan worden gesteld.

Daarnaast wijst de conclusie op het ontbreken van nieuwe feitelijke standpunten die in cassatie kunnen worden ingebracht en op het niet voldoen aan de eis om vindplaatsen van eerdere stellingen te vermelden. Daarom wordt het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan cassatiegronden.

Conclusie

Rolnr. 13/02544
Mr M.H. Wissink
Zitting van 6 september 2013
Conclusie inzake:

[eiser],

wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
tegen

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],
verweerster
1.
Het bij dagvaarding van 3 mei 2103 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 februari 2013. Daarin heeft het hof geoordeeld dat een derde ([betrokkene]) met ingang van 1 augustus 2010 door contractsoverneming als bedoeld in art. 6:159 BW Pro in de plaats is gesteld van [verweerster] als huurder, zodat deze laatste vanaf die datum niet meer jegens verhuurder [eiser] aansprakelijk is voor betaling van de nadien vervallen huurtermijnen.
2.
De twee middelen rechtvaardigen naar mijn mening geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft in rov. 8.6.1 en 8.6.2 een uitleg gegeven aan artikel 14 van Pro de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en in rov. 8.7.1 en 8.7.2, waartegen de middelen zich richten, geoordeeld dat sprake is van contractsoverneming. Een en ander berust op een waardering van de omstandigheden van het geval, welke als feitelijk van aard aan het hof is overgelaten. De middelen bepleiten in essentie een andere feitelijke beoordeling van de zaak waarvoor in cassatie echter geen plaats is. Het oordeel van het hof kan niet reeds onbegrijpelijk worden genoemd omdat [eiser] een andere beoordeling bepleit.
Ik wijs er verder op dat de middelen een aantal feitelijke standpunten innemen (bijvoorbeeld over het ontbreken van een akte) die niet voor het eerst in cassatie kunnen worden ingenomen. Voor zover de middelen (mede) zijn gebaseerd op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, dienen zij de vindplaats(en) te vermelden van die stellingen in de stukken van het geding. De middelen voldoen niet aan deze eis. Het cassatieberoep kan naar mijn mening met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G