Conclusie
tegen
1. Inleiding en procesverloop
2. De prejudiciële vragen van de Hoge Raad en de beantwoording daarvan door het Benelux-Gerechtshof
Onverminderd de toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, kan de houder van een tekening of model zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen
het gebruikvan een voortbrengsel waarin de tekening of het model is verwerkt of waarop de tekening of het model is toegepast en dat hetzelfde uiterlijk vertoont als de gedeponeerde tekening of het gedeponeerde model, dan wel
dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt, rekening houdend met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van de tekening of het model. Onder gebruik wordt met name verstaan het vervaardigen, aanbieden,
in de handel brengen, verkopen, leveren, verhuren, invoeren, uitvoeren, tentoonstellen, gebruiken of in voorraad hebben voor een van deze doeleinden.
3. Nadere beoordeling van Mag’s middelonderdelen III.1 en III.3
Onverminderd de toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad…’) in het vernieuwde art. 14 lid 1 BTMW Pro (thans: art. 3.16 BVIE) verdedigd. Het BenGH heeft evenwel anders beslist, in de richting van de zgn. eerbiedigende werking: art. 14 lid 1 BTMW Pro, zoals gewijzigd bij het Protocol van 2002, is niét van toepassing op handelingen die worden verricht door degene die daarmee vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Protocol (1 december 2003) was begonnen, indien de houder van de tekening of het model zich vóórdien niet kon verzetten tegen deze handelingen krachtens art. 14 lid 8 BTMW Pro (oud).
nieuwehandeling betreft van ná inwerkingtreding van het Protocol (nrs. 4.7 - 4.8);
nieuwe partijenvoortbrengselen (hier: zaklampen) ná de datum van inwerkingtreding van het Protocol niet onder de Verklaring voor recht van het BenGH met betrekking tot de tweede vraag begrepen zouden zijn [3] , berust dat m.i. klaarblijkelijk op een onjuiste lezing daarvan: niet alleen wat de tekst betreft (‘
handelingen die worden verricht door degene die daarmee vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het Protocol was begonnen’), als naar de strekking blijkens rov. 16 (
‘billijkheid en rechtszekerheid voor degene die onder voorheen bestaande regelgeving rechtmatig een gedraging is gaan verrichten die onder de nieuwe regelgeving inbreukmakend is’), en rov. 15 (verwijzing naar daargenoemde regelingen, waaronder het voorgebruiksrecht). Het gaat er om dat de ondernemer die ten tijde van het beginnen van de exploitatie van een object zulks rechtmatig deed, met die exploitatie mag doorgaan niettegenstaande later aan een derde toegekende (immateriële) rechten, waarmee die exploitatie – zonder deze overgangsregeling – onrechtmatig zou zijn. Hierbij valt nog te bedenken dat met het opzetten van een productielijn (op een tijdstip waarin het later ingevoerde recht nog niet bestond) aanzienlijke investeringen kunnen zijn gemoeid, die later moeten – en mogen – gaan renderen.
auteursrechtmet modellenrecht. Gegeven een door het HvJEU in het arrest op basis van dit artikel 17 aangenomen Pro verplichting om niet-ingeschreven modellen die aan de algemene auteursrechtdrempel volgens de (latere) Auteursrechtrichtlijn 2001/29/EG voldoen (alsnog of wederom) voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te laten komen, wees het HvJEU in dit verband inderdaad een nationale overgangsrechtelijke uitsluiting resp. een overgangsperiode van 10 jaar als (vermoedelijk) onevenredig van de hand.
in wezeneen doorslaggevend criterium bij beoordeling van ontoelaatbare gelijkenis als het gaat om wettelijke IE-rechten waarop Huydecoper het oog heeft: zoals auteursrecht, modellenrecht en (vorm-) merkenrecht. Daaraan kan de andere
terminologiein deze specifieke IE-wetten niet afdoen. [7]
deelcriterium gehanteerd – zij speelt géén rol indien de verwarringwekkende gelijkenis betrekking heeft op elementen die bijdragen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het product – juist niét een
rechtsgrondvoor de bescherming, maar een (technisch-juridische)
maatstafof er sprake is van een zodanige gelijkenis, dat die de concurrent überhaupt een reden tot klagen kan geven. De rechtsgrond is veeleer: onbetamelijk profiteren, en die rechtsgrond ligt weer in het verlengde van de rechtsgrond voor de boven bedoelde IE-rechten.