ECLI:NL:PHR:2013:994

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2013
Publicatiedatum
21 oktober 2013
Zaaknummer
13/03625
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub d FwArt. 350 lid 3 sub e FwArt. 354 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en paulianeus handelen

Verzoekers werden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, maar de bewindvoerder verzocht om beëindiging vanwege niet-nakoming van informatie- en sollicitatieverplichtingen, een boedelachterstand van ruim €8.000 en paulianeus handelen bij de verkoop van twee auto's. De rechtbank beëindigde de regeling op grond van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw, omdat verzoekers hun verplichtingen niet naar behoren nakwamen en schuldeisers benadeelden.

Het hof Den Bosch bevestigde dit oordeel en stelde vast dat verzoekers structureel tekortschoten in hun verplichtingen en de opbrengst van de auto's niet aan de boedel hadden toegevoegd. Verzoekers kwamen vervolgens in cassatie, stellende dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde en dat de bewindvoerder op de hoogte was van de werkzaamheden van de man bij de onderneming van zijn dochter.

De Hoge Raad oordeelde dat de bestreden feiten vaststellingen van feitelijke aard zijn en niet in cassatie kunnen worden getoetst. Bovendien leidt de vaststelling van een van de omstandigheden in art. 350 lid 3 sub Pro c-e Fw imperatief tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, tenzij sprake is van een geringe tekortkoming, wat niet aannemelijk was gemaakt. De cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de tussentijdse beëindiging definitief bleef.

Uitkomst: Cassatie niet-ontvankelijk verklaard; tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling bevestigd.

Conclusie

13/03625
Mr. L. Timmerman
Zitting 11 oktober 2013
Conclusie inzake:
1. [verzoeker 1] (de man),
2. [verzoekster 2] (de vrouw),
verzoekers tot cassatie

1.Voorgeschiedenis

1.1
Verzoekers tot cassatie zijn bij afzonderlijke vonnissen van de rechtbank Breda van 17 oktober 2011 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft op 28 januari 2013 verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoekers te beëindigen. Als grond voor de beëindiging voerde hij aan dat zij hun informatie- en sollicitatieverplichting niet naar behoren nakomen en een boedelachterstand van € 8.060,19 hebben laten ontstaan. Daarnaast hebben zij juist voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling paulianeus gehandeld ten aanzien van de verkoop/overdracht van twee auto's, waardoor de boedel bedragen van respectievelijk € 100 en € 2.995 is misgelopen. Tot slot is gebleken dat hun schuldenlast aanzienlijk hoger is dan de schuldenlijst gevoegd bij het verzoekschrift ex art. 284 Fw Pro.
1.2
Bij vonnis van 6 mei 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw. Daartoe oordeelde zij dat genoegzaam is komen vast te staan dat verzoekers hun verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zijn nagekomen. Zij hebben een grote boedelachterstand laten ontstaan, doordat de man in dienst is getreden bij de LTD van zijn dochter. Daarvan maakt zijn eigen commanditaire vennootschap inmiddels onderdeel van uit maakt, zonder dat hij voor zijn werkzaamheden betaald heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een schijnconstructie, nu de dochter in de LTD enkel licht administratieve werkzaamheden verrichtte en de man alle overige werkzaamheden voor zijn rekening nam. Met dit handelen heeft hij zijn schuldeisers benadeeld. Daarnaast is gebleken dat de man in het zicht van de schuldsaneringsregeling zijn auto’s om niet heeft overgedaan aan zijn commanditaire vennootschap, deze auto's daarna zijn overgegaan op de LTD en vervolgens één auto op een later tijdstip is verkocht aan een derde. Nu de man de opbrengst van de auto's niet heeft opgeëist, heeft hij hiermee eveneens zijn schuldeisers benadeeld. Hij had immers de opbrengsten van de auto's moeten aanwenden voor zijn schuldeisers. Gelet op het feit dat dit in het zicht van de schuldsaneringsregeling is gebeurd, dienen de opbrengsten van de auto's in de boedel te vloeien, hetgeen tot op heden niet is gebeurd. De boedelachterstand is mede ontstaan doordat verzoekers over de maanden oktober 2011, november 2011, januari 2012 en van mei 2012 tot en met december 2012 niet hebben afgedragen aan de boedel. De boedelachterstand bedraagt thans ruim € 8.000 en daarnaast hebben verzoekers nieuwe schulden laten ontstaan van ruim € 700. De rechtbank achtte het onaannemelijk dat zij deze achterstand en de nieuwe schulden gedurende de resterende duur van de schuldsaneringsregelingen kunnen voldoen.
1.3
Het hof Den Bosch heeft dit vonnis bij arrest van 19 juli 2013 bekrachtigd. Daartoe oordeelde het – samengevat en naast de overwegingen van de rechtbank, die het tot de zijne maakte – dat, wat verder ook zij van de omstandigheden waaronder de boedelachterstand gedurende de tot nu toe verstreken looptijd van de schuldsaneringsregeling is ontstaan, uit de inhoud van de processtukken genoegzaam is komen vast te staan dat verzoekers zich vanaf het moment dat zij zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling structureel niet hebben gehouden aan de aan hen opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht en de afdrachtplicht. Naar het oordeel van het hof is door de handelwijze van appellanten, het niet en/of niet tijdig toezenden aan de bewindvoerder van alle relevante bescheiden voor én het vaststellen van het vrij te laten bedrag én het becijferen van de boedelachterstand dan ook genoegzaam gebleken dat appellanten zich niet hebben gehouden aan de aan hen uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht. Dit is naar het oordeel van het hof op zichzelf beschouwd voldoende reden om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellanten tussentijds te beëindigen.Daarnaast is genoegzaam komen vast te staan dat de man kort voor toelating tot de schuldsaneringsregeling twee auto’s om niet heeft overgedragen en hij ondanks herhaalde verzoeken van de bewindvoerder heeft geweigerd de geschatte waarde van deze auto's, welke boven op de boedelachterstand komt, te (doen) storten op de boedelrekening. Ook door deze handelwijze zijn schuldeisers benadeeld.
1.4
Verzoekers zijn van dit arrest bij schriftuur, ingekomen bij de Hoge Raad op 24 juli 2013 en dus tijdig, in cassatie gekomen.

2.Ontvankelijkheid

2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, elk bestaand uit diverse ongenummerde alinea’s.
2.2
Onderdeel 1betoogt dat het hof, door in r.o. 3.4.1 te overwegen als het heeft gedaan, op feitelijke gronden als daaronder is weergegeven, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw dient te worden toegepast. Daarbij is de redenering door het hof toegepast onder r.o. 3.4.3 en 3.4.4 in onderlinge samenhang gelezen met r.o. 3.4.1 tevens innerlijk tegenstrijdig. Verzoekers hebben immers gemotiveerd betwist dat sprake is van een boedelachterstand, getuige hetgeen zij hebben doen aanvoeren in hun beroepschrift, zie hetgeen is weergegeven onder r.o. 3.3.1 van het arrest waarvan cassatie. Verder betoogt het onderdeel dat, zelfs als er sprake zou zijn van een boedelachterstand, dan nog zulks het hof niet verplicht uitvoering te geven aan de toepassing van art. 350 lid 3 sub Pro c, d en e Fw, nu het hof, terecht als maatstaf aangegeven heeft onder r.o. 3.4.1 of "in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.". De man is in de onderneming van zijn dochter blijven werken; de bewindvoerder was daarvan steeds op de hoogte, evenals van het feit dat de man daarvoor geen loon ontving. Derhalve is in ieder geval geen sprake van schending van de informatieverplichting richting de bewindvoerder, en kan het hof in redelijkheid niet tot het oordeel komen dat sprake zou zijn van een "schijnconstructie". De auto’s, zo betoogt het onderdeel, zouden voordelig zijn verkocht.
2.3
Voor zover het onderdeel al voldoet aan de bepaaldheidseisen vervat in art. 426a lid 2 Rv, faalt het. Het wordt reeds tevergeefs voorgesteld omdat de vaststellingen waarop de bestreden overwegingen rusten, van feitelijke aard zijn en in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. De overwegingen zijn niet onbegrijpelijk en behoefden gezien de stukken ook geen nadere motivering. Overigens blijkt uit het tweede [1] en derde [2] verslag ex art. 318 Fw Pro dat de man de bewindvoerder ondanks rappel niet de gevraagde informatie verschafte over zijn werkzaamheden in de onderneming van zijn dochter. De stelling dat de bewindvoerder “op de hoogte” was, mist dus feitelijke grondslag. Bovendien getuigt het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 350 lid 3 sub Pro c-e Fw: vaststelling van een van de in deze bepaling genoemde omstandigheden leidt imperatief tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, tenzij sprake is van een geringe toerekenbare tekortkoming in de zin van art. 354 lid 2 Fw Pro. Dat van een geringe tekortkoming sprake is, is noch gesteld noch aannemelijk.
2.4
Onderdeel 2betoogt – zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft gesuggereerd dat verzoekers en de bewindvoerder de kwestie van de boedelachterstand konden schikken, zodat het zich daarna niet meer op het standpunt kon stellen dat integrale voldoening van de boedelachterstand niet betekent dat de overige ter zitting besproken verwijten aan verzoekers in het kader van uitvoering van de schuldsaneringsregeling daarmee zijn weggenomen. Het hof zou hebben miskend dat partijen in een civiele procedure vrij staan een civiele procedure te beëindigen vóór dat de rechter uitspraak heeft gedaan, en zelf het recht toekomt de voorwaarden te bepalen op grond waarvan zij bereid zijn de procedure te beëindigen. Daarbij is de rechter lijdelijk.
2.5
Het onderdeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het miskent dat de insolventierechter de toepassing van de schuldsanering op grond van art. 350 lid Pro 1, slotzin, Fw ook ambtshalve kan beëindigen. Dit strookt met de aard van de wsnp-procedure, die geen zuiver civiele procedure tussen procespartijen is, maar een bijzondere procedure waarbij ook de belangen van derden betrokken zijn. Overigens is van de beweerde uitlatingen van de kant van het hof niets in het proces-verbaal van de zitting terug te vinden.
2.6
Onderdeel 3komt op tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.4.8 dat alle kernverplichtingen die voortvloeien uit de schuldsaneringsregeling op schouders van sanieten rusten, en dat zij niet één of meer van de op hen rustende, uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kunnen afwentelen op derden. Dit oordeel is volgens het onderdeel onbegrijpelijk en in strijd met het recht. Immers, uit hoofde van toelating tot de schuldsaneringsregeling rust op de saniet de verplichting er alles aan te doen wat (legaal) mogelijk is om zoveel mogelijke activa voor de boedel te vergaren. Hij moet solliciteren (ook al is dat onder de huidige economische malaise vaak een loze verplichting, doordat bedrijven geen mensen meer aannemen, en zeker niet in de leeftijdsklasse van appellanten), hij moet werken om geld voor de crediteuren te verdienen. Waarom zou hij in dat kader niet de hulp mogen vragen van vrienden? Voorzover wordt gesteld en beoogd dat de saniet moet worden opgevoed, is de vraag op welke wettelijke basis een dergelijke verplichting zou kunnen worden gebaseerd. Het hof motiveert deze beslissing ten onrechte niet. Ook om deze reden kan het arrest volgens het onderdeel niet in stand blijven.
2.7
Wat er verder zij van deze klacht, zij mist gezien het falen van de overige onderdelen belang. De in cassatie vaststaande tekortkomingen kunnen de beëindiging van de schuldsaneringsregelingen van verzoekers dragen.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Tweede verslag bewindvoerder, p. 5 onder “Het inkomen”, p. 7 onder “Sollicitatieplicht” en p. 8 onder “Afdrachtplicht” (A-dossier, Bijlage 6).
2.Derde verslag bewindvoerder, p. 5 onder “Het inkomen”, p. 7 onder “Sollicitatieplicht” en p. 9 onder “Afdrachtplicht” (A-dossier, Bijlage 7)