ECLI:NL:PHR:2013:BW8352
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Indeling van gesinterde molybdeenstaven als ruw molybdeen of afval in douanetarief
Deze zaak betreft de tariefindeling van molybdeenproducten binnen de gecombineerde nomenclatuur (GN) in het kader van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT). De vraag is of brokstukken van gesinterde molybdeenstaven moeten worden ingedeeld als ruw molybdeen (post 8102 94 00 GN) of als resten en afval van molybdeen (post 8102 97 00 GN).
Belanghebbende had molybdeenproducten aangegeven als resten en afval, maar na verificatie en monsteronderzoek werden deze ingedeeld als ruw molybdeen, wat leidde tot naheffingen. Zowel de Rechtbank als het Hof bevestigden deze indeling, waarbij werd overwogen dat de brokstukken, ondanks dat ze ongeschikt zijn voor verdere bewerking tot halffabricaten, wel geschikt zijn voor gebruik bij de productie van gelegeerd staal en daarom niet als afval kwalificeren.
De Hoge Raad overweegt in zijn conclusie dat de vorm van het product (brokstukken versus staven) niet doorslaggevend is en dat het criterium voor indeling in de GN de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product zijn. De Raad constateert echter twijfel over de uitleg van het begrip 'resten en afval' in de relevante aantekeningen en toelichtingen en beveelt daarom een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen. De eerste twee cassatiemiddelen van belanghebbende worden ongegrond verklaard, het derde middel leidt tot het verzoek om prejudiciële beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de indeling van de molybdeenproducten als ruw molybdeen en legt een prejudiciële vraag voor aan het HvJ EU over de uitleg van 'resten en afval'.