ECLI:NL:PHR:2013:BY0955
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke beoordeling van gedeeltelijke demping vijver in strijd met erfdienstbaarheden en burenrecht
Deze zaak betreft een geschil over de gedeeltelijke demping van een vijver die gelegen is op aan elkaar grenzende erven van partijen en derden. De vijver was onderworpen aan erfdienstbaarheden, waaronder een verplichting tot onderhoud en het in stand houden van een verbinding met een buitenwater. De eiser vorderde onder meer het in stand houden van deze verbinding, het ongedaan maken van de demping, herstel van milieuvriendelijke oevers en verwijdering van een lozingspijp.
De rechtbank wees de vorderingen af, maar het gerechtshof vernietigde dit vonnis voor zover het de vordering tot het in stand houden van de verbinding betrof en wees deze alsnog toe. Het hof oordeelde dat de vijver niet als watergang in de zin van art. 5:36 en Pro 5:59 BW kon worden aangemerkt, waardoor bepaalde onderhoudsvorderingen faalden. Ook werd geoordeeld dat de lozingspijp niet verwijderd hoefde te worden omdat niet was gesteld of gebleken dat de lozing in strijd was met de geldende waterwetgeving.
De Hoge Raad overwoog dat de klachten tegen het arrest van het hof grotendeels niet aan de vereisten van art. 407 Rv Pro voldeden en dat de motiveringen onvoldoende waren. De klachten die wel ontvankelijk waren, faalden inhoudelijk. Het hof had de erfdienstbaarheden en het burenrecht juist uitgelegd en toegepast. De vorderingen tot herstel van de vijver, ecologische kwaliteit en verwijdering van bagger waren onvoldoende onderbouwd. De conclusie was verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het arrest van het hof wordt bevestigd behalve voor de reeds toegewezen vordering tot het in stand houden van de verbinding van de vijver.