ECLI:NL:PHR:2013:BY1262
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing vrijstelling overdrachtsbelasting bij ruilverkavelingsovereenkomst
De belanghebbende verplaatste zijn landbouwbedrijf en deed een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting krachtens artikel 15, lid 1, letter l, van de Wet belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR) bij een ruilverkavelingsovereenkomst. De Dienst Landelijk Gebied (DLG) keurde twee van de transacties niet goed omdat deze niet bijdroegen aan verbetering van de inrichting van het landelijk gebied, waarna de Inspecteur een naheffingsaanslag oplegde.
De Rechtbank en het Gerechtshof bevestigden dat de transacties niet kwalificeerden als ruilverkaveling bij overeenkomst in de zin van de Landinrichtingswet, omdat niet voldaan was aan de vereiste van verbetering van het landelijk gebied en het aantal betrokken partijen. De belanghebbende beriep zich op uitlatingen van de Minister van LNV bij de parlementaire behandeling van de latere Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), die volgens hem een ruimere uitleg van ruilverkaveling bij overeenkomst rechtvaardigden.
De Hoge Raad oordeelde dat de uitlatingen van de Minister bij de totstandkoming van de latere Wilg geen betekenis toekomen voor de uitleg van de oudere Landinrichtingswet. De vrijstelling van overdrachtsbelasting geldt alleen indien de transacties bijdragen aan de verbetering van het landelijk gebied, zoals bepaald in de Landinrichtingswet. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling overdrachtsbelasting wordt niet toegepast op de betwiste transacties.