AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verdeling draagkracht bij vaststelling kinderalimentatie met stiefkinderen betrokken
In deze zaak gaat het om de vaststelling van kinderalimentatie waarbij de draagkracht van de man verdeeld moet worden over zijn biologische kinderen uit een eerdere relatie en zijn stiefkinderen uit een nieuwe relatie. De man is hertrouwd en woont samen met zijn nieuwe partner en haar drie kinderen. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van kinderalimentatie voor de kinderen uit haar relatie met de man.
De rechtbank stelde de alimentatie vast op €449 per maand per kind, maar het hof vernietigde deze beschikking en bepaalde de alimentatie lager, namelijk €224 per maand per kind tot maart 2011 en daarna €182,50 per maand per kind. De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad bespreekt de toepassing van art. 1:397 lid 2 BWPro, waarin wordt bepaald dat bij meerdere onderhoudsplichtigen de omvang van ieders bijdrage afhangt van de draagkracht en de bijzondere verhouding tot het kind. De Hoge Raad bevestigt dat de draagkracht van de nieuwe partner en diens onderhoudsplicht jegens stiefkinderen meegewogen moet worden. Het hof heeft terecht de draagkracht van de man gelijkelijk verdeeld over zijn biologische kinderen en stiefkinderen, mede omdat de nieuwe partner niet in staat is bij te dragen en de alimentatie van haar voormalige echtgenoot een indicatie geeft van de draagkracht.
De klachten van de vrouw dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de verdiencapaciteit van de nieuwe partner en de actuele draagkracht van haar voormalige echtgenoot worden verworpen. Ook het betoog dat de behoefte van de stiefkinderen niet gelijkgesteld mag worden aan die van de biologische kinderen wordt niet gevolgd, omdat het verschil gering is en de draagkracht onvoldoende is om volledig aan alle behoeften te voldoen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof blijft in stand.
Conclusie
12/00825
mr. Keus
Zitting 26 oktober 2012
Conclusie inzake:
[De vrouw]
verzoekster tot cassatie
tegen
[De man]
verweerder in cassatie
Het gaat in deze alimentatiezaak om de verdeling van de draagkracht van de man over de twee kinderen die hij tijdens zijn inmiddels beëindigde relatie met de vrouw heeft erkend en de drie stiefkinderen van wie zijn huidige echtgenote de moeder is.
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Partijen hebben van 2004 tot halverwege 2008 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is het navolgende, thans nog minderjarige en door de man erkende kind geboren:
- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].
Voorts heeft de man gedurende de relatie van partijen een ander minderjarig kind, van wie hij niet de biologische vader is, erkend, te weten:
- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].
1.2 De minderjarigen verblijven bij de vrouw. De man is getrouwd met zijn nieuwe partner en woont samen met haar en haar drie kinderen(2).
1.3 Bij verzoekschrift van 21 juli 2010, op 23 juli 2010 ingekomen ter griffie, heeft de vrouw de rechtbank 's-Gravenhage verzocht de kinderalimentatie met ingang van 1 mei 2009 te bepalen op € 449,- per maand per kind, telkens voor de eerste van de maand bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft verweer gevoerd. Bij beschikking van 2 februari 2011 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de door de man met ingang van 23 juli 2010 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de kinderen] bepaald op € 449,- per maand per kind, vanaf de datum van de beschikking telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw te voldoen.
1.4 De man is bij verzoekschrift van 19 april 2011, op 20 april 2011 ingekomen ter griffie van het hof 's-Gravenhage, van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen en heeft het hof verzocht de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie met ingang 23 juli 2010 vast te stellen op € 224,- per kind per maand en met ingang van 25 maart 2011 op € 180,- (ten tijde van de beschikking van het hof: € 182,50) per maand per kind, dan wel op een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag met ingang van een door het hof in goede justitie vast te stellen datum. De vrouw heeft het hoger beroep bestreden en heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
1.5 Bij beschikking van 9 november 2011 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 23 juli 2010 tot 25 maart 2011 op € 224,- per maand per kind bepaald, wat de na de dag van de beschikking te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen, en de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 25 maart 2011 vastgesteld op € 182,50 per maand per kind, wat de na de dag van de beschikking te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen.
1.6 Bij verzoekschrift van 8 februari 2011, op 9 februari 2011 per telefax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, heeft de vrouw tijdig cassatieberoep tegen de beschikking van het hof ingesteld. De man heeft in cassatie geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 De vrouw heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat (naast een inleiding onder I.i-v) een drietal onderdelen (I.1-I.4; onderdeel I.3 ontbreekt), waarvan de onderdelen I.1 en I.2 in subonderdelen zijn verdeeld. Het cassatiemiddel is in het bijzonder gericht tegen de rov. 12-13, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
"12. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de vader sinds 25 maart 2011 opnieuw in het huwelijk is getreden met [betrokkene 1] en derhalve op grond van artikel 1:395 vanPro het Burgerlijk Wetboek een wettelijke onderhoudsplicht heeft ten aanzien van zijn drie inwonende stiefkinderen. Voor de behoefte van de stiefkinderen volgt het hof de berekening van vader van € 260,- per maand per kind. Het hof overweegt daartoe dat de overgelegde draagkrachtberekening uit 2007 een indicatie geeft dat het netto inkomen van de voormalige echtgenoot van zijn nieuwe partner, te weten [betrokkene 2], € 2.000,- bedroeg. Ter zitting is het hof gebleken dat [betrokkene 1] ook toen reeds circa € 900,- netto per maand verdiende. Het toenmalige netto gezinsinkomen van het gezin [betrokkene 1 en 2] komt daarmee op € 2.900,-, zodat het hof uit gaat van een behoefte van de stiefkinderen van € 260,- per kind per maand.
13. Voorts is het hof gebleken dat [betrokkene 2] € 60,- per maand per kind aan alimentatie betaalt, zodat de resterende behoefte van de stiefkinderen € 200,- per kind bedraagt. Nu deze behoefte nagenoeg gelijk te stellen is aan de behoefte van de minderjarigen en [betrokkene 1] niet in staat is een aandeel in die behoefte voor haar rekening te nemen, zal het hof de vader volgen in zijn draagkrachtberekening en de draagkracht gelijkelijk verdelen over de minderjarigen en diens stiefkinderen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de vader in staat is om vanaf 1 april 2011 € 182,50 per kind per maand te betalen aan kinderalimentatie.
Het hof stelt vast dat de bijdrage van € 224,- tot 1 april 2011 in hoger beroep niet in geschil is."
2.2 Alvorens de klachten te bespreken, wijs ik erop dat de Hoge Raad over de verdeling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige over zijn tot onderhoud gerechtigde kinderen uit verschillende relaties onlangs als volgt heeft geoordeeld(3):
"3.4.1 Het middel is terecht voorgesteld. Op grond van art. 1:397 lid 2 BWPro geldt dat indien meer personen op grond van bloed- en aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud zijn gehouden, de omvang van ieders verplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van ieders draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder staat tot degene die onderhoud behoeft. Ingeval het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moet worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BWPro).
Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder. Het hof heeft daarom niet kunnen voorbijgaan aan het betoog van de vrouw dat de man de inkomensgegevens van zijn echtgenote dient over te leggen (vgl. HR 22 april 1988, LJN AD0287, NJ 1989/386, HR 28 mei 1993, LJN ZC0978, NJ 1994/434, HR 11 november 1994, LJN ZC1539, NJ 1995/129 en HR 26 november 2010, LJN BN7055, NJ 2010/633). Voor zover het oordeel van het hof daarop mocht berusten dat de draagkracht van de man ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen - en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet worden verdeeld over alle kinderen - geldt dat het heeft miskend dat het eerst tot deze vaststelling kon komen nadat het de draagkracht van de echtgenote van de man had onderzocht en vastgesteld, nu de voor [betrokkene 1] beschikbare draagkracht van de man daardoor mede op vorenstaande wijze kan worden beïnvloed (HR 22 april 2005, LJN AS3643, NJ 2005/379).
3.4.2 Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op art. 21 enPro 22 Rv., rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen."
2.3 Subonderdeel I.1.2 klaagt (onder het opschrift "Stelplicht") dat het hof bij zijn beoordeling van de resterende behoefte van de stiefkinderen niet (slechts) in aanmerking had mogen nemen hetgeen de andere onderhoudsplichtigen (te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2]) feitelijk in het levensonderhoud van de stiefkinderen bijdragen en/of verdienen, maar bij die beoordeling (tevens) de actuele draagkracht van die andere onderhoudsgerechtigden had moeten betrekken. Volgens het subonderdeel had de man in het kader van zijn draagkrachtverweer ter zake het nodige moeten stellen en met bescheiden moeten staven; nu de man zulks zou hebben nagelaten, had het hof, nog steeds volgens het subonderdeel, daaraan de consequentie moeten verbinden dat de man in staat moet worden geacht de vastgestelde kinderalimentatie (waarmee het subonderdeel kennelijk doelt op de door de rechtbank in eerste aanleg vastgestelde alimentatieplicht) te blijven voldoen. Het subonderdeel betoogt dat het hof, door dit laatste na te laten en door in rov. 13 slechts uit te gaan van de feitelijke bijdrage van [betrokkene 2] en noch in rov. 13, noch elders aandacht aan de verdiencapaciteit van [betrokkene 1] te besteden, van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven, althans zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd. Voor het geval dat in de bestreden beschikking al besloten mocht liggen dat het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] geen nadere verdiencapaciteit heeft, dan nog heeft volgens het subonderdeel te gelden dat het voor rekening en risico van de man komt dat hij geen actuele draagkrachtgegevens van [betrokkene 2] heeft geproduceerd, hetgeen eveneens tot de slotsom moet leiden dat de bestaande alimentatieverplichting moet worden gecontinueerd.
2.4 Bij de beoordeling van de klachten van het subonderdeel stel ik voorop dat het hof niet heeft miskend dat, met het oog op de verdeling van de draagkracht van de man over de tijdens de eerste relatie door hem erkende kinderen en zijn stiefkinderen, de resterende behoefte van de stiefkinderen van belang is en dat die resterende behoefte mede wordt bepaald door hetgeen de andere jegens die kinderen onderhoudsplichtigen in staat zijn voor hun rekening te nemen. Zo heeft het hof in rov. 13 overwogen dat [betrokkene 1] "niet in staat is een aandeel in die behoefte voor haar rekening te nemen", welke formulering onmiskenbaar erop wijst dat het hof daarbij het begrip draagkracht (in een ruimere betekenis dan slechts die van feitelijk verworven inkomsten) voor ogen heeft gestaan. Wat het aandeel van [betrokkene 2] betreft, heeft het hof in rov. 13 weliswaar ermee volstaan naar diens (actuele) alimentatieverplichting te verwijzen, maar dat impliceert geenszins dat het hof zou hebben miskend dat het in laatste instantie (mede) op de draagkracht van [betrokkene 2] aankomt. Kennelijk en alleszins begrijpelijk heeft het hof géén aanleiding gezien aan te nemen dat de door [betrokkene 2] betaalde alimentatie zijn actuele draagkracht niet reflecteert, waarbij van belang is dat die alimentatie geringer is dan de behoefte van de stiefkinderen (waarin [betrokkene 1] naar het oordeel van het hof buiten staat is bij te dragen).
2.5 Het hof beschikte, wat de draagkracht van [betrokkene 1] betreft, wel degelijk over financiële gegevens. Blijkens rov. 12 is het hof van een inkomen van [betrokkene 1] van circa € 900,- netto per maand uitgegaan ("Ter zitting is het hof gebleken dat [betrokkene 1] ook toen reeds € 900,- netto per maand verdiende."). Weliswaar is denkbaar dat dit inkomen van [betrokkene 1] niet met haar verdiencapaciteit in overeenstemming is, maar kennelijk lag het naar het oordeel van het hof niet op de weg van de man om tegenover de desbetreffende stellingen van de vrouw die mogelijkheid verder uit te sluiten dan met de (ook volgens het subonderdeel) door hem betrokken stelling dat [betrokkene 1] de zorg voor haar kinderen heeft. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in welk verband mede ware te bedenken dat de alimentatierechter bij het waarderen van de aangedragen gegevens grote vrijheid toekomt en dat uit de stukken blijkt dat tot het gezin van de man en zijn nieuwe partner drie minderjarige kinderen behoren, dat de nieuwe partner van de man reeds parttime werkt(4) en dat de man in de huidige situatie(5) (anders dan toen hij met de vrouw samenwoonde(6)) fulltime werkzaam is.
2.6 Met betrekking tot de onderhoudsbijdrage van [betrokkene 2] valt naar mijn mening niet in te zien waarom de man zijn stelplicht zou hebben verzaakt door zich slechts op de (actuele) alimentatieverplichting van [betrokkene 2] te beroepen en niet ook op draagkrachtgegevens waaraan die alimentatieverplichting zou kunnen worden getoetst, zonder dat concrete stellingen van de vrouw tot zodanige toetsing noopten. Een zover gaande stelplicht ligt mijns inziens ook niet besloten in de hiervóór (onder 2.2) geciteerde beschikking van de Hoge Raad van 13 juli 2012, die ruimte laat voor rechterlijke schattingen op basis van niet volledige gegevens, zeker in het geval dat de onvolledigheid van die gegevens kan worden gepardonneerd.
2.7 Subonderdeel I.1.2 herhaalt (onder het opschrift "Artikel 1:397 BWPro") de klacht dat het hof noch de actuele draagkracht van [betrokkene 2], noch de verdiencapaciteit van [betrokkene 1] in zijn oordeel heeft betrokken, en voegt daaraan toe dat het hof "daarom" evenmin eraan is toegekomen rekening te houden met de verhouding waarin de man tot de twee door hem erkende kinderen en zijn drie stiefkinderen staat, voor zover het de onderlinge verdeling jegens hen betreft.
2.8 Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof noch de actuele draagkracht van [betrokkene 2], noch de verdiencapaciteit van [betrokkene 1] in zijn oordeel heeft betrokken, faalt het op dezelfde gronden als subonderdeel I.1.1.
2.9 Voor zover de klacht van het onderdeel over schending van art. 1:397 lid 2 BWPro voortbouwt op de veronderstelling dat het hof de draagkracht van de jegens de stiefkinderen van de man (mede) onderhoudsplichtige ouders ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) niet naar behoren zou hebben vastgesteld (de eerste twee volzinnen van subonderdeel I.1.2, tweede alinea, luiden: "Het hof heeft alleen rekening gehouden met de feitelijke bijdrage van [betrokkene 2] (...) en met het feitelijke inkomen van [betrokkene 1]. Het hof is daarom evenmin toegekomen aan het rekening houden met de verhouding waarin de man tot zijn twee kinderen en zijn drie stiefkinderen staat voor zover het de onderlinge verdeling jegens hen betreft."; onderstreping toegevoegd; LK), mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft de draagkracht van beide onderhoudsplichtige ouders naar behoren in aanmerking genomen en kan niet op grond van een vermeend nalaten daarvan worden verweten art. 1:397 lid 2 BWPro te hebben geschonden.
2.10 Overigens meen ik dat, anders dan het subonderdeel in de hiervóór (onder 2.9) geciteerde passage lijkt te veronderstellen(7), art. 1:397 lid 2 BWPro de verdeling van de draagkracht van de man over de door hem erkende kinderen en zijn stiefkinderen niet rechtstreeks beïnvloedt in die zin, dat tussen de man en de door hem erkende kinderen een nauwere verwantschap bestaat dan tussen hem en zijn stiefkinderen en dat die nauwere verwantschap een naar verhouding grotere claim van de erkende kinderen op de beschikbare draagkracht van de man rechtvaardigt. Uit art. 1:397 lid 2 BWPro vloeit niet voort dat bij een samenloop van onderhoudsplichten van de man zijn draagkracht moet worden verdeeld, mede met inachtneming van de verhouding waarin hij tot een ieder van de gerechtigden staat, maar dat, in geval van een samenloop van de onderhoudsplicht van de man met die van andere bloed- of aanverwanten jegens dezelfde gerechtigde, bij de bepaling van het deel van de behoefte dat ieder van de onderhoudsplichtigen dient te voldoen, mede rekening wordt gehouden met de verhouding waarin een ieder tot de gerechtigde staat.
2.11 Iets anders is dat toepassing van art. 1:397 lid 2 BWPro het bedrag waarmee de man in de behoefte van zijn stiefkinderen dient bij te dragen kan beïnvloeden, en daarmee ook het deel van zijn draagkracht dat voor de door hem erkende kinderen beschikbaar is. Voor zover het subonderdeel het hof verwijt bij de bepaling van het aandeel van de man in de behoefte van zijn stiefkinderen ten onrechte geen rekening te hebben gehouden met de verhouding waarin de man, respectievelijk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tot de stiefkinderen staan en te zijn voorbijgegaan aan de in beginsel nauwere verwantschap tussen ouder en kind dan tussen stiefouder en kind(8), geldt dat, naar uit de geschiedenis van totstandkoming van het huidige art. 1:395 BWPro blijkt, de alimentatieplicht van een stiefouder niet subsidiair is aan die van de ouder en dat de rechter vrij is van geval tot geval te beoordelen in hoeverre de stiefouder naast de ouders tot bijdragen verplicht is, waarbij hij dan als een der factoren in aanmerking kan nemen dat tussen de minderjarige en zijn ouders een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de minderjarige en zijn stiefouders(9).
Het criterium van de verhouding waarin ieder van de onderhoudsplichtigen tot de gerechtigde staat (in welk verband onder meer de duur van de opvoeding binnen het gezin van de stiefouder en het lange tijd ontbreken van contacten met de ouder relevant kunnen zijn), zal (ook) overigens niet steeds ertoe leiden dat de onderhoudsplicht van de ouder zwaarder dan die van de stiefouder weegt(10). In de praktijk wordt het voor het kind te betalen bedrag regelmatig naar evenredigheid van de draagkracht van de vader en de moeder (samen met de stiefvader) over beiden verdeeld(11).
Wat verder van dit alles zij, een verdeling als bedoeld in art. 1:397 lid 2 BWPro vooronderstelt bij tenminste twee van de betrokken onderhoudsplichtigen voldoende draagkracht(12). Volgens de vaststellingen van het hof is [betrokkene 1] buiten staat bij te dragen in de op € 260,- per maand per kind berekende behoefte van de stiefkinderen en draagt [betrokkene 2], kennelijk overeenkomstig diens draagkracht, slechts met een alimentatie van € 60,- per maand per kind in die behoefte bij. Bij die stand van zaken is aannemelijk dat bij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] überhaupt draagkracht ontbreekt om in de relatie tussen de man en zijn stiefkinderen een verlaging van diens door het hof op € 182,50 per kind berekende bijdrage mogelijk te maken. Ook om die reden kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden.
2.12 Subonderdeel I.2.1 is (onder het opschrift "Gelijkstelling") gericht tegen rov. 13, voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat de berekende (resterende) behoefte van de stiefkinderen ad € 200,- per maand "nagenoeg gelijk te stellen is aan de (resterende, op € 224,- per maand per kind berekende; LK) behoefte van de minderjarigen" en de draagkracht van de man op die grond gelijkelijk over de door de man erkende kinderen en zijn stiefkinderen heeft verdeeld. Onder verwijzing naar HR 11 september 2009, LJN: BI3437, NJ 2009, 420, en HR 18 november 1994, LJN: ZC1546, NJ 1995, 117, betoogt het subonderdeel dat sprake is van een verschil van € 24,- (11%) per kind, welk verschil niet als gering kan worden aangemerkt. Het op één lijn te stellen van de resterende behoefte van de kinderen en die van de stiefkinderen en de verdeling van de draagkracht, gelijkelijk over de vijf kinderen, leidt ertoe dat de man meer bijdraagt in de behoefte van de stiefkinderen (91%) dan in die van de kinderen (81%).
2.13 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop, dat dit niet een duidelijke rechts- of motiveringsklacht omvat. Een dergelijke klacht lees ik ook niet in de eerste volzin op p. 9 van het cassatierekest, volgens welke uit de door het subonderdeel genoemde jurisprudentie "geen ander gevolgtrekking (kan) worden gemaakt dan dat de rechter geringe bedragen niet, althans niet zonder meer, als irrelevant mag beschouwen". Zou het subonderdeel met de geciteerde passage een rechts- of motiveringsklacht beogen, dan mist die klacht naar mijn mening in die zin feitelijke grondslag, dat het hof niet heeft geoordeeld dat een gering (alimentatie)bedrag als irrelevant mag worden beschouwd, maar dat een gering verschil in de berekende (resterende) behoefte van de jegens de man alimentatiegerechtigde kinderen niet aan een gelijke verdeling van diens draagkracht over die kinderen in de weg staat. Overigens acht ik dat oordeel althans in het onderhavige geval rechtens juist, nu de draagkracht van de man onvoldoende is om volledig in de resterende behoefte van elk van zijn onderhoudsgerechtigde kinderen te voorzien. Bij die stand van zaken is een gelijke verdeling van de draagkracht van de man over de kinderen hoe dan ook aangewezen, kennelijk ook in de visie van de Hoge Raad, die in zijn hiervóór (onder 2.2) geciteerde beschikking overwoog
"3.4.1 (...) Voor zover het oordeel van het hof daarop mocht berusten dat de draagkracht van de man ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen - en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet worden verdeeld over alle kinderen - geldt dat het heeft miskend dat het eerst tot deze vaststelling kon komen nadat het de draagkracht van de echtgenote van de man had onderzocht en vastgesteld, nu de voor [betrokkene 1] beschikbare draagkracht van de man daardoor mede op vorenstaande wijze kan worden beïnvloed (HR 22 april 2005, LJN AS3643, NJ 2005/379)."
Ten overvloede teken ik nog aan dat de in het subonderdeel berekende percentages van 91% en 81% de bijdrage van de man als percentage van de resterende behoefte van de stiefkinderen respectievelijk de eigen kinderen betreffen. Wordt niet slechts uitgegaan van de bijdrage van de man maar van het totaal van de per kind beschikbare bijdragen en niet van de resterende maar van de totale behoefte van de kinderen, dan geldt dat het totaal van de bijdragen (met inbegrip van de door het hof vastgestelde bijdrage van de man) respectievelijk 93,3% en 90,5% van de totale behoefte van de stiefkinderen respectievelijk de erkende kinderen dekt. Wordt niet een voor alle kinderen gelijke, maar een naar rato van de resterende behoefte gedifferentieerde bijdrage van de man berekend, dan zou (uitgaande van een beschikbare draagkracht van € 912,50) de bijdrage voor de kinderen uit de eerste relatie € 195,04 en die voor de stiefkinderen € 174,14 per kind bedragen. Ook met een dergelijke gedifferentieerde bijdrage zou, tezamen met de andere bijdrage(n), niet gelijkelijk in de totale behoefte van de stiefkinderen respectievelijk de erkende kinderen worden voorzien, maar voor 90,1% respectievelijk 93,3%.
2.14 Subonderdeel I.2.2 klaagt dat het hof in rov. 13 heeft geoordeeld dat [betrokkene 2] € 60,- per kind per maand betaalt. Het subonderdeel voert aan dat de man bij pleidooi in appel heeft gesteld dat [betrokkene 2] € 200,- voor de drie stiefkinderen van de man betaalt en dat zulks ook blijkt uit door de man geproduceerde bescheiden. Volgens het subonderdeel is de bestreden overweging onbegrijpelijk, nu een bedrag van € 200,- voor de drie kinderen resulteert in een bedrag van meer dan € 66,- per kind. Subonderdeel 1.2.3 voegt daaraan toe dat, uitgaande van een bijdrage van [betrokkene 2] van € 66,- per kind per maand, de resterende behoefte van de stiefkinderen € 194,- en die van de erkende kinderen € 224,- bedraagt, en dat althans bij die stand van zaken het oordeel van het hof dat de behoefte van de erkende kinderen en die van de stiefkinderen op één lijn mogen worden gesteld, geen stand houdt.
2.15 Ook bij het door subonderdeel I.2.2 bedoelde verschil in resterende behoefte van de stiefkinderen en de erkende kinderen houdt het oordeel in rov. 13 stand op de bij de bespreking van subonderdeel I.2.1 reeds uiteengezette gronden. Om die reden kan subonderdeel I.2.3 niet tot cassatie leiden en mist de vrouw belang bij de klacht van subonderdeel I.2.2.
Volledigheidshalve voeg ik daaraan nog toe dat de door subonderdeel I.2.2 bedoelde bijdrage van [betrokkene 2] van (ruim) € 66,- in plaats van € 60,- per maand per kind uiteraard wel tot andere percentages leidt. Bij de door subonderdeel I.2.3 genoemde percentages teken ik aan dat, als niet slechts wordt uitgegaan van de bijdrage van de man maar van het totaal van de per kind beschikbare bijdragen en niet van de resterende maar van de totale behoefte van de kinderen, de gecorrigeerde, door het totaal van de bijdragen gedekte percentages van de totale behoefte van de stiefkinderen en de erkende kinderen respectievelijk 95,6% en 90,5% bedragen. Wordt niet een voor alle kinderen gelijke, maar een naar rato van de resterende behoefte gedifferentieerde bijdrage van de man berekend, dan zou (uitgaande van een resterende behoefte van de stiefkinderen van € 194,- per kind) de bijdrage voor de erkende kinderen € 197,30 en die voor de stiefkinderen € 172,64 per kind bedragen. Ook met een dergelijke gedifferentieerde bijdrage zou, tezamen met de andere bijdragen, niet gelijkelijk in de totale behoefte van de stiefkinderen respectievelijk de erkende kinderen worden voorzien, maar voor 91,8% respectievelijk 93,8%.
2.16 Onderdeel 1.4 betreft de doorwerking van de gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten in rov. 14 en het dictum. Nu geen van de voorgaande klachten slaagt, doet de bedoelde doorwerking zich niet voor.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Zie de vaststelling van de feiten op p. 1 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 februari 2011, van welke feiten ook het hof blijkens het gestelde op p. 2 van de bestreden beschikking is uitgegaan, voor zover daartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht.
4 Zie onder meer prod. 7 bij het verweerschrift tot vaststelling alimentatie, tevens zelfstandig verzoek tot vaststelling omgangsregeling.
5 Zie onder meer prod. 3 bij de brief van mr. L.C. Zandwijk aan het hof van 20 juli 2011.
6 Zie onder meer het verweerschrift tot vaststelling alimentatie, tevens zelfstandig verzoek tot vaststelling omgangsregeling onder 4.
7 Zie ook rov. I.1.2, derde alinea, eerste volzin: "(...) en door vervolgens bij de bepaling van het aandeel van de man in de behoefte van zijn twee kinderen niet de verhouding waarin hij tot zijn twee kinderen en tot zijn drie stiefkinderen staat, te betrekken (...)."
8 Blijkens rov. 11 heeft de vrouw zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat "in beginsel geldt dat er tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap (dan tussen de stiefouder en het kind; LK) bestaat".