ECLI:NL:PHR:2013:BY2578

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05313
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteitenArt. 81 lid 1 ROArt. 1 aanhef en onder c Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892Art. 3 TOSArt. 2 TOS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlanderschap op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname

In deze zaak vraagt verzoeker de vaststelling van zijn Nederlanderschap op basis van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). Verzoeker is geboren in 1975 als natuurlijk kind van een Nederlandse moeder en woonde ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS in Suriname. Hij stelt dat zijn visumaanvraag in 1996 als een optieverklaring voor het Nederlanderschap moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker op grond van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 de Nederlandse nationaliteit bezat bij geboorte, maar door het volgen van zijn moeder volgens de TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg en daarmee het Nederlanderschap verloor. De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet kon opteren op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro.

Verzoeker stelde in cassatie dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had en dat het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS Pro een correctiemogelijkheid bood voor meerderjarigen. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat het woonplaatsvereiste op het moment van de visumaanvraag reeds was vervallen en verzoeker als minderjarige niet een andere nationaliteit had verkregen dan bij meerderjarigheid. De optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS Pro stond hem daarom niet open.

De Hoge Raad bevestigde dat art. 6 lid 4 TOS Pro slechts een correctiemogelijkheid biedt voor gevallen waarin minderjarigen een andere nationaliteit verkrijgen dan zij zouden hebben verkregen bij meerderjarigheid. Omdat dit niet op verzoeker van toepassing was, faalt het cassatieberoep en wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker geen optierecht had op grond van art. 6 lid 4 TOS.

Conclusie

Zaak 11/05313
Mr. P. Vlas
Zitting, 2 november 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
(hierna: de Staat)
1. In deze zaak komt de vraag aan de orde of [verzoeker] op grond van art. 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. [Verzoeker] is op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] geboren als natuurlijk kind. Zijn moeder had de Nederlandse nationaliteit.
3. [Verzoeker] heeft de Rechtbank 's Gravenhage verzocht vast te stellen dat hij het Nederlanderschap bezit. Op 25 november 1975, het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS, had hij woonplaats en werkelijk verblijf in Suriname. [Verzoeker] stelt dat zijn visumaanvraag op 6 juli 1996 bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo moet worden opgevat als een optieverklaring voor de Nederlandse nationaliteit op basis van art. 6 lid 4 TOS Pro. De Staat heeft verweer gevoerd.
4. Bij beschikking van 1 september 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoeker] ten tijde van zijn geboorte op basis van art. 1 aanhef Pro en onder c van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Bij de inwerkingtreding van de TOS woonde [verzoeker] bij zijn moeder in Suriname. Op grond van art. 6 lid 1 TOS Pro volgde [verzoeker] zijn moeder (op basis van art. 3 TOS Pro) in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit. Volgens de rechtbank kon [verzoeker] niet op basis van art. 6 lid 4 TOS Pro voor de Nederlandse nationaliteit opteren (rov. 5.4). De rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen.
5. [Verzoeker] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geen verweer gevoerd.
6. Volgens het middel getuigt het oordeel van de rechtbank in rov. 5.4 dat [verzoeker] het optierecht van art. 6 lid 4 TOS Pro niet kan inroepen van een onjuiste rechtsopvatting.(1)
7. Onderdeel 3.2 van (de toelichting op) het middel gaat in op de voorwaarde in art. 6 lid 4 TOS Pro: 'mits deze nationaliteit is de nationaliteit van het land waar zij dan woonplaats hebben' (hierna: het woonplaatsvereiste). Als ik het goed begrijp, leidt [verzoeker] uit het gebruik van het woord 'mits' af dat art. 6 lid 4 TOS Pro voor hem voorziet in een correctiemogelijkheid, dat hij meerderjarig geworden een optierecht had. Onderdeel 3.4 stelt dat niet vereist is dat alleen rechtsgeldig voor het Nederlanderschap kan worden geopteerd op Nederlands grondgebied. Voorts betoogt onderdeel 3.5 dat [verzoeker] als minderjarige een andere nationaliteit heeft verkregen dan hij zou hebben verkregen wanneer hij op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS meerderjarig zou zijn geweest.
8. Het middel verliest uit het oog dat op het moment dat [verzoeker] zijn visumaanvraag bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo deed, het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS Pro reeds was vervallen.(2) De uitleg die het middel aan dit vereiste geeft, is bovendien onjuist. Aangezien [verzoeker] in Suriname is geboren en hij op 25 november 1975 in Suriname woonde, zou hij op die datum ook bij meerderjarigheid op basis van art. 3 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen en op grond van art. 2 TOS Pro het Nederlanderschap hebben verloren. [Verzoeker] heeft als minderjarige dus niet een andere nationaliteit verkregen dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS. Voor [verzoeker] stond, eenmaal meerderjarig geworden, de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS Pro derhalve niet open. Voorts heeft de rechtbank niet geoordeeld dat alleen rechtsgeldig voor het Nederlanderschap kan worden geopteerd op Nederlands grondgebied.
9. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld en anders dan de klachten kennelijk aannemen, berust art. 6 lid 4 TOS Pro niet op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden gelegenheid moet worden geboden alsnog door eigen vrije keuze te bepalen of hij de nationaliteit van zijn vader of moeder wil volgen, maar beoogt de bepaling slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor die gevallen waarin de werking van art. 6 leden Pro 1 en 2 TOS ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS.(3) Nu [verzoeker] als minderjarige niet een andere nationaliteit heeft verkregen dan hij zou hebben gekregen bij meerderjarigheid stond voor [verzoeker] de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS Pro niet open. Het middel faalt derhalve.
10. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Ik wijs erop dat zijdens [verzoeker] een onvolledig procesdossier is gefourneerd, waarin verschillende stukken ontbreken. Weliswaar heeft de advocaat van [verzoeker] per brief van 15 mei 2012 aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat de ontbrekende stukken bij de advocaat in eerste aanleg worden opgevraagd, maar zulks heeft niet geleid tot completering van het dossier. De zaak kan echter zonder deze ontbrekende stukken worden afgedaan.
2 Zie Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname van 14 november 1994 (Trb. 1994, 280), in werking getreden op 1 december 1995 (Trb. 1995, 261).
3 Zie HR 26 juni 1987, LJN: AG5635, NJ 1988/135, m.nt. GRdG; HR 29 oktober 1999, LJN: AA3798, NJ 2003/601; H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, blz. 175-179. Zie ook de conclusie van A-G Strikwerda vóór HR 22 december 2009, LJN: BK3572, RvdW 2010/53 en vóór HR 7 mei 2010, LJN: BM3409, RvdW 2010/625 (beide zaken art. 81 RO Pro).