ECLI:NL:PHR:2013:BY2578
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap op grond van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname
In deze zaak vraagt verzoeker de vaststelling van zijn Nederlanderschap op basis van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS). Verzoeker is geboren in 1975 als natuurlijk kind van een Nederlandse moeder en woonde ten tijde van de inwerkingtreding van de TOS in Suriname. Hij stelt dat zijn visumaanvraag in 1996 als een optieverklaring voor het Nederlanderschap moet worden beschouwd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker op grond van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 de Nederlandse nationaliteit bezat bij geboorte, maar door het volgen van zijn moeder volgens de TOS de Surinaamse nationaliteit verkreeg en daarmee het Nederlanderschap verloor. De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet kon opteren op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro.
Verzoeker stelde in cassatie dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had en dat het woonplaatsvereiste van art. 6 lid 4 TOS Pro een correctiemogelijkheid bood voor meerderjarigen. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat het woonplaatsvereiste op het moment van de visumaanvraag reeds was vervallen en verzoeker als minderjarige niet een andere nationaliteit had verkregen dan bij meerderjarigheid. De optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS Pro stond hem daarom niet open.
De Hoge Raad bevestigde dat art. 6 lid 4 TOS Pro slechts een correctiemogelijkheid biedt voor gevallen waarin minderjarigen een andere nationaliteit verkrijgen dan zij zouden hebben verkregen bij meerderjarigheid. Omdat dit niet op verzoeker van toepassing was, faalt het cassatieberoep en wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker geen optierecht had op grond van art. 6 lid 4 TOS.