ECLI:NL:PHR:2013:BY2638
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over zekerheidstelling bij vervroegde onteigening volgens artikel 54i Ow
In deze zaak gaat het om de vraag of de rechtbank terecht heeft besloten geen zekerheidstelling te bepalen voor de voldoening van de schadeloosstelling bij vervroegde onteigening. Het Waterschap Hollandse Delta had een perceel onteigend en een voorschot op schadeloosstelling aangeboden. De rechtbank bepaalde het voorschot op 90% van het aanbod, maar wees zekerheidstelling af omdat de onteigende partij geen verzoek daartoe had ingediend.
De Hoge Raad stelt dat artikel 54i lid 4 van de Onteigeningswet (Ow) een imperatief voorschrift bevat dat de rechter verplicht een som als zekerheid te bepalen, tenzij de onteigende partij ondubbelzinnig afstand doet van dit recht. Het enkele feit dat de onteigende partij geen verzoek tot zekerheidstelling heeft gedaan, is onvoldoende om zekerheidstelling achterwege te laten.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis voor zover het geen zekerheidstelling bepaalde en stelt zelf de som van de zekerheid op het verschil tussen het aanbod en het voorschot, namelijk €919,-. Dit bedrag moet door het Waterschap worden gestort op een derdengeldrekening bij een door de onteigende partij aan te wijzen notaris.
De zaak betreft een onteigening ten behoeve van de versterking van de Oostmolendijk in Ridderkerk. De Hoge Raad benadrukt het belang van zekerheidstelling op grond van constitutionele gronden en de bescherming van de onteigende partij tegen het risico van niet-betaling van de schadeloosstelling.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat het Waterschap een zekerheidstelling van €919,- moet storten voor de schadeloosstelling bij vervroegde onteigening.