ECLI:NL:PHR:2013:BY3233

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05333
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 29 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing misbruik van omstandigheden bij overdracht apotheek

In deze zaak stond de vraag centraal of bij de overdracht van een apotheek aan Escura sprake was van misbruik van omstandigheden, dwaling of een niet-marktconforme overnamesom. Het hof Amsterdam had het vonnis van de rechtbank Utrecht bekrachtigd, waarin de vorderingen van eiser en de apotheek waren afgewezen. Volgens het hof had eiser met zijn brief van 29 september 2003 een geldige overeenkomst tot overdracht gesloten, zonder dat was gebleken van misbruik van omstandigheden of dwaling.

Eiser stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van misbruik van omstandigheden. Hij voerde aan dat hij zich in een abnormale geestestoestand bevond en dat Escura hiervan op de hoogte was, dat de verkoop nadelig was en dat er twijfel bestond over zijn mandaat. De Hoge Raad oordeelde echter dat het cassatiemiddel niet voldeed aan de eisen omdat niet was aangegeven waar in de gedingstukken deze omstandigheden waren aangevoerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd was en dat er geen reden was om het arrest te vernietigen. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

11/05333
Mr. L. Timmerman
Zitting 9 november 2012
Conclusie inzake:
[Eiser]
eiser tot cassatie,
(hierna: [eiser])
tegen
1. Escura Nederland B.V. (voorheen genaamd: Farmassure B.V.)
2. Brocacef Holding N.V.
verweersters in cassatie,
(hierna resp: Escura en Brocacef en gezamenlijk: Escura c.s.)
Verkorte conclusie
1 Bij arrest van 23 augustus 2011 heeft het Hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, het eindvonnis van de Rechtbank Utrecht van 7 maart 2007, waarbij de rechtbank in conventie de vorderingen van [eiser] en Apotheek [A] B.V. (hierna: de apotheek) - waarvan [eiser] via zijn vennootschap directeur en enig aandeelhouder is - heeft afgewezen, bekrachtigd.(1)
2 's Hofs oordeel komt op het volgende neer. Met de door [eiser] ondertekende brief van 29 september 2003 is een overeenkomst tot stand gekomen tot overdracht van de apotheek aan Escura, omdat die brief alle essentialia voor een overnameovereenkomst bevat (rov. 4.13). Dat een tijdelijke overname van de apotheek is overeengekomen is niet komen vast te staan (rov. 4.13). Evenmin is komen vast te staan dat Escura misbruik van omstandigheden zou hebben gemaakt of dat bij totstandkoming van de overeenkomst is gedwaald (rov. 4.14-4.19). Ten slotte ziet het hof geen aanleiding om de overnamesom aan te passen of schadevergoeding toe te wijzen (rov. 4.20).
3 Tegen het arrest heeft [eiser] tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld. Escura c.s. zijn niet verschenen en tegen hen is verstek verleend. [Eiser] heeft zijn standpunt nog schriftelijk doen toelichten.
4 Het tegen het arrest aangevoerde middel bestaat uit drie onderdelen en komt enkel op tegen 's hofs oordeel dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden door Escura (rov. 4.17). Kennelijk wordt ook geklaagd over rov. 4.20 van 's hofs arrest, waar het hof o.m. verwijst naar de aangevallen rov. 4.17 voor zover daar is overwogen dat niet kan worden aangenomen dat de overnamesom niet marktconform is.
5 's Hofs oordeel in de aangevallen rov. 4.17 komt er op neer dat [eiser] en de apotheek onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd waaruit volgt dat van misbruik van omstandigheden bij het aangaan van de overeenkomst sprake is. Zo is volgens het hof niet gebleken dat (i) Escura op de hoogte was van het feit dat [eiser] zich in september 2003 in een abnormale geestestoestand bevond, (ii) het voor zakelijke relaties als [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij de ontmoetingen met [eiser] kenbaar was of had moeten zijn dat [eiser] zich in een abnormale geestestoestand bevond, zo die nog aanwezig was in september 2003, (iii) Escura reden had om te twijfelen aan het mandaat van zijn advocaat mr. Geerts of de instemming van [eiser] met de overeenkomst neergelegd in de door [eiser] ondertekende brief van 29 september 2003 en (iv) de overeenkomst in de gegeven omstandigheden niet reëel en/of nadelig was voor de apotheek.
6 In de onderdelen wordt gewezen op omstandigheden die het bovenstaande anders zouden maken. Zo zou uit de overgelegde bewijsstukken volgen dat [eiser] in de periode 2003-2005 onvoldoende in staat is zijn geweest de consequenties van zijn besluiten te overzien (onderdeel 1), zouden de wederpartijen op de hoogte zijn van de ziekte van [eiser] (onderdeel 2) en is de verkoop zowel voor de apotheek als voor [eiser] uiterst nadelig geweest (onderdeel 3). Het cassatiemiddel verzuimt echter aan te geven waar in de gedingstukken deze omstandigheden zijn aangevoerd, zodat het niet voldoet aan de eisen die aan een cassatiemiddel gesteld worden.
7 Overigens zie ik niet in dat de in het cassatiemiddel aangevoerde omstandigheden 's hofs oordeel, dat van misbruik van omstandigheden geen sprake is, anders maken. De uitgebreide motivering zoals door het hof gegeven is m.i. meer dan voldoende om dat oordeel te kunnen dragen.
8 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De vordering in reconventie is in hoger beroep geschorst op de voet van art. 29 Fw Pro en speelt in cassatie geen rol meer.
2 De cassatiedagvaarding is op 22 november 2011 uitgebracht.