ECLI:NL:PHR:2013:BY4109
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij gezagsvoorziening minderjarige na ongeoorloofde overbrenging naar Bolivia
In deze zaak staat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter centraal bij een geschil over het ouderlijk gezag over een minderjarige die door de vader zonder toestemming naar Bolivia is gebracht. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, maar na de echtscheiding werd de gewone verblijfplaats van het kind bij de moeder vastgesteld. De vader nam het kind in 2010 mee naar Bolivia, zonder toestemming van de moeder of gezinsvoogd, wat pas in 2011 aan de moeder bekend werd.
De rechtbank stelde het gezag eenhoofdig aan de moeder toe en het hof bekrachtigde deze beslissing, waarbij het de vader niet-ontvankelijk verklaarde in zijn verzoeken omtrent kinderalimentatie en ondertoezichtstelling. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd was op grond van een analoge toepassing van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, ondanks dat Bolivia geen EU-lidstaat is en het verdrag pas in 2011 in werking trad.
De vader stelde cassatie in met het verweer dat het kind inmiddels zijn gewone verblijfplaats in Bolivia had en dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was. De Hoge Raad overwoog dat de gewone verblijfplaats van het kind de belangrijkste factor is voor internationale bevoegdheid en dat het hof terecht oordeelde dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had behouden, mede omdat het verblijf in Bolivia het gevolg was van een ongeoorloofde overbrenging.
Ook het verzoek van de vader om het eenhoofdig gezag aan hem toe te kennen werd verworpen wegens gebrek aan voldoende feitelijke onderbouwing en omdat het hof de juiste maatstaf toepaste. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het eenhoofdig gezag van de moeder.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het eenhoofdig gezag van de moeder over de minderjarige.