ECLI:NL:PHR:2013:BY4466

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/01273
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 401a lid 2 RvArt. 337 lid 2 RvArt. 6 EVRMArt. 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen tussenvonnis wegens overschrijding beroepstermijn

In deze zaak ging het om een cassatieberoep tegen een tussenvonnis van de rechtbank 's-Gravenhage. De rechtbank had achteraf toestemming gegeven voor tussentijds hoger beroep van een eerder gewezen tussenvonnis. Eisers tot cassatie waren in hoger beroep gekomen na het verstrijken van de beroepstermijn. Het gerechtshof verklaarde hen daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat het arrest van het hof een tussenarrest betrof, waartegen tussentijds cassatieberoep op grond van art. 401a lid 2 Rv. niet is toegestaan, tenzij de rechter anders bepaalt. Dit was niet het geval, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

Daarnaast benadrukte de Hoge Raad dat het openen van de mogelijkheid tot tussentijds hoger beroep door de rechtbank niet betekent dat het hoger beroep buiten de beroepstermijn mag worden ingesteld. De beroepstermijn moet strikt worden nageleefd. Eisers tot cassatie konden nog wel in hoger beroep komen tegen het tussenvonnis tegelijk met het eindvonnis.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dan ook dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is, en dat het oordeel van het hof over de overschrijding van de beroepstermijn juist en voldoende gemotiveerd is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn voor het hoger beroep tegen het tussenvonnis.

Conclusie

Zaaknr. 12/01273
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 23 november 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. [Eiseres 1]
en
2. [Eiser 2]
tegen
1. [Verweerster 1]
2. [Verweerster 2]
3. [Verweerster 3]
en
4. [Verweerster 4]
In deze zaak heeft de rechtbank achteraf toestemming gegeven voor tussentijds appel van een door haar gewezen tussenvonnis. In cassatie wordt opgekomen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van eisers tot cassatie in hun hoger beroep tegen dat tussenvonnis omdat dat hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de appeltermijn. De zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Procesverloop(1)
1.1 Bij vonnis in het incident van 24 september 2008 heeft de rechtbank 's-Gravenhage de door eisers tot cassatie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid in verband met het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, verworpen. Desverzocht heeft de rechtbank vervolgens bij vonnis van 6 mei 2009 tussentijds hoger beroep van het vonnis in het incident van 24 september 2008 opengesteld.
1.2 Eisers tot cassatie zijn bij exploot van 25 mei 2009(2) in hoger beroep gekomen van het vonnis in het incident van 24 september 2008 bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof heeft bij arrest van 13 september 2011 geoordeeld dat het hoger beroep is ingesteld na het verstrijken van de appeltermijn, en heeft eisers tot cassatie om die reden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep. Het tijdig(3) ingestelde cassatieberoep richt zich tegen deze beslissing.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Het in cassatie bestreden arrest van het hof betreft een tussenarrest omdat het dictum ervan niet een beslissing inhoudt die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt(4). Ingevolge art. 401a lid 2 Rv. is tussentijds cassatieberoep van dit tussenarrest uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Van dat laatste is niet gebleken zodat eisers tot cassatie niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep.
2.2 Ten overvloede merk ik op dat de in het cassatiemiddel vervatte klachten(5) niet tot cassatie zouden hebben kunnen leiden. Ingevolge art. 337 lid 2 Rv Pro. heeft de rechter de mogelijkheid om tussentijds beroep van een tussenvonnis open te stellen, hetgeen hij - op verzoek - ook kan doen nadat hij dat tussenvonnis heeft gewezen(6). Wanneer de rechter de mogelijkheid van een tussentijdse voorziening heeft geopend, dient het beroep echter binnen de wettelijke termijn te worden ingesteld(7). Dat brengt met zich dat de partij die binnen de beroepstermijn van een tussenuitspraak (alsnog) om openstelling van een tussentijdse voorziening verzoekt niet kan wachten totdat op dat verzoek is beslist, maar binnen de wettelijke termijn beroep dient in te stellen.
2.4 Het hof heeft in de eerste rov. 6(8) van het in cassatie bestreden arrest geoordeeld dat eisers tot cassatie weliswaar binnen de beroepstermijn de rechtbank hebben verzocht te bepalen dat van het tussenvonnis van 24 september 2008 hoger beroep kan worden ingesteld, maar dat dit onverlet laat dat het rechtsmiddel van hoger beroep eveneens binnen de wettelijke termijn moet worden ingesteld om de beroepstermijn te sauveren. In de tweede rov. 6 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat eisers tot cassatie niet-ontvankelijk zijn in het door hen ingestelde hoger beroep in verband met overschrijding van deze beroepstermijn. Deze oordelen van het hof geven in het licht van het voorgaande geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin ontoereikend gemotiveerd.
2.5 Ik merk verder nog ten overvloede op dat eisers tot cassatie ingevolge art. 337 lid 2 Rv Pro. alsnog in hoger beroep kunnen komen van het tussenvonnis van 24 september 2008, tegelijk met het hoger beroep van het door de rechtbank te wijzen eindvonnis in deze zaak.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers tot cassatie in hun cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Voor zover in cassatie van belang.
2 Gevolgd door herstelexploten op 23 november 2009 en 5 januari 2010. Zie p. 1 van het in cassatie bestreden arrest (tweede alinea onder het kopje "het geding").
3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 13 december 2011.
4 Vgl. HR 17 maart 2006, LJN: AU8325 (NJ 2007, 594, m.nt. H.J. Snijders onder NJ 2007, 595), rov. 3.2; en HR 10 oktober 2003, LJN: AI0309 (NJ 2003, 709), rov. 3.3. Zie voorts Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 34.
5 Het middel betoogt in de kern dat het hof met zijn arrest een verkeerde toepassing zou hebben gegeven aan art. 337 lid 2 Rv Pro., en daarmee in strijd zou hebben gehandeld met het bepaalde in art. 6 EVRM Pro en art. 47 Handvest Pro van de Grondrechten van de Europese Unie (zie daarover echter p. 7 van de s.t.). Althans is het oordeel van het hof dat eisers tot cassatie niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus het middel.
6 Vgl. HR 23 januari 2004, LJN: AL7051 (NJ 2005, 510, m.nt. W.D.H. Asser onder NJ 2005, 511), rov. 3.4.
7 Vgl. HR 17 december 2004, LJN: AR3170 (NJ 2005, 511, m.nt. W.D.H. Asser), rov. 3.3. Zie voorts Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 38; Snijders/Wendels 2009, nr. 75; en HR 23 september 2005, LJN: AT5521 (S&S 2006, 73), rov. 3, tweede volzin.
8 Het arrest van het hof bevat twee rechtsoverwegingen 6.