ECLI:NL:PHR:2013:BY5058

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00155
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbegrijpelijk oordeel over schuldbekentenis namens derde in civiele procedure

In deze civiele zaak vordert Zorgbureau betaling van een bedrag gebaseerd op een schuldbekentenis die eiser op eigen naam heeft afgegeven. Eiser stelt dat hij namens zijn BV handelde en dat de schuldbekentenis dus niet op zijn privénaam is gedaan. De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling, het hof verklaarde het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk en bekrachtigde het vonnis.

Eiser stelde in cassatie dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de schuldbekentenis niet namens de BV zou zijn gedaan. De Hoge Raad overweegt dat het uitgangspunt is dat degene die een rechtshandeling verricht, deze voor zichzelf verricht, tenzij duidelijk is dat hij namens een ander handelt. Het hof heeft onvoldoende rekening gehouden met de stellingen van eiser dat de schuldbekentenis verband houdt met betalingen en verkoop door de BV.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat onvoldoende is gemotiveerd waarom de schuldbekentenis niet namens de BV is gedaan. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling. De overige klachten behoeven geen behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Conclusie

Zaaknr. 12/00155
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 30 november 2012
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
Zorgbureau Holding B.V.
In deze zaak wordt onder meer opgekomen tegen het oordeel van het hof dat eiser tot cassatie, [eiser], onvoldoende heeft gesteld om van het uitgangspunt af te wijken dat degene die een rechtshandeling verricht (uitsluitend) rechtsgevolgen voor zichzelf in het leven roept, tenzij gehandeld wordt in naam van een ander.
1. Feiten(1) en procesverloop(2)
1.1 Op 2 december 2005 hebben [eiser] en [betrokkene 1], middellijk bestuurder van verweerster in cassatie, hierna: Zorgbureau, een schuldbekentenis ondertekend. Deze schuldbekentenis luidt als volgt:
"Heden, de 1-12-2005 verklaart [eiser] verschuldigd te zijn aan Zorgbureau Holding BV een bedrag ad. € 135.000,00 zulks in verband met de nabetalingen aan uwv en belastingdienst, tegen een wettelijk vastgesteld rentepercentage. In 2005 bedraagt de rente 3,5%.
Aldus opgemaakt in tweevoud te Hengelo, 2-12-2005
Goedschrift: goed voor honderdvijfendertig duizend euro
[Betrokkene 1] [Eiser]"
1.2 [Eiser] is directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V.
1.3 [Eiser] is als directeur in dienstbetrekking werkzaam geweest voor een dochtervennootschap van Zorgbureau, Beter Leven B.V.
1.4 Bij inleidende dagvaarding van 5 maart 2008 heeft Zorgbureau [eiser] gedagvaard voor de rechtbank Almelo en heeft daarbij gevorderd dat de rechtbank [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 148.381,38, vermeerderd met rente en kosten.
Zorgbureau heeft aan deze vordering de hiervoor onder 1.1 genoemde schuldbekentenis van 2 december 2005 ten grondslag gelegd.
1.5 [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd(3) en zich primair op het standpunt gesteld dat Zorgbureau niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat de schuldbekentenis niet [eiser] in privé betreft, maar [A] B.V. h.o.d.n. [B].
1.6 Na bij vonnis van 11 juni 2008 een comparitie van partijen te hebben gelast, heeft de rechtbank [eiser] bij vonnis van 1 oktober 2008 veroordeeld om aan Zorgbureau een bedrag van € 148.381,38, vermeerderd met rente en kosten te betalen en heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.7 [Eiser] is, onder aanvoering van twaalf grieven(4), van deze vonnissen in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem en heeft - voor zover thans van belang - geconcludeerd dat het hof het vonnis van 1 oktober vernietigt en opnieuw rechtdoende, Zorgbureau niet ontvankelijk verklaart in haar vordering, althans haar deze ontzegt.
Zorgbureau heeft de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep, zal bekrachtigen.
1.8 Het hof heeft [eiser] bij arrest van 20 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 11 juni 2008 en voorts het vonnis van de rechtbank van 1 oktober 2008 bekrachtigd.
1.9 [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig(5) beroep in cassatie ingesteld.
Zorgbureau heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen en verschillende subonderdelen.
In rechtsoverweging 4.3, waartegen het eerste onderdeel zich richt, heeft het hof allereerst het volgende tot uitgangspunt genomen:
"De vordering in conventie is gebaseerd op de schuldbekentenis van 2 december 2005. Uitgangspunt van het verbintenissenrecht is dat degene die een rechtshandeling verricht (uitsluitend) rechtsgevolgen voor zichzelf in het leven roept tenzij gehandeld wordt in naam van een ander. Tussen partijen staat vast dat de schuldbekentenis door [eiser] is gedaan en ondertekend. Het antwoord op de vraag of [eiser], zoals hij heeft gesteld, bij het doen van de schuldbekentenis desalniettemin niet in eigen naam maar namens [A] B.V. is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en Zorgbureau daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. "
2.2 Zowel vermeld uitgangspunt als het slot van het hier geciteerde gedeelte van de bestreden rechtsoverweging is juist(6). Degene met wie men contracteert mag als wederpartij worden beschouwd, tenzij duidelijk is dat deze niet zichzelf maar een ander heeft bedoeld te binden(7).
Het antwoord op de vraag of iemand voor zichzelf of namens een ander is opgetreden is feitelijk, zodat het oordeel daaromtrent in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
2.3 Het hof heeft in het vervolg van rechtsoverweging 4.3 de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
"[Eiser] heeft in dit verband gesteld dat de schuldbekentenis verband houdt met de verkoop van een kapsalon aan Zorgbureau door [A] B.V., dat er betalingen zijn gedaan aan [A] B.V. en dat [A] B.V. handelde onder de naam [B]. Dit zijn evenwel onvoldoende aanwijzingen dat [eiser] bij het doen van de schuldbekentenis niet namens zichzelf handelde; voornoemde omstandigheden, voor zover al juist, staan daaraan niet in de weg. Voor het overige heeft [eiser] niets gesteld waaruit volgt dat Zorgbureau wist of moest begrijpen dat [eiser] de schuldbekentenis heeft gedaan namens [A] B.V. De tekst van de schuldbekentenis biedt daarvoor geen aanknopingspunt en verklaringen of gedragingen die een dergelijk aanknopingspunt wel zouden kunnen bieden, zijn niet gesteld. [Eiser] heeft dan ook onvoldoende gesteld om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat er daarom van uit dat [eiser] bij het doen van de schuldbekentenis voor zichzelf heeft gehandeld."
2.4 Onderdeel 1 klaagt onder meer (subonderdeel 1.1) dat het hof zijn arrest niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed omdat zonder nadere motivering niet begrijpelijk is waarom de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden(8) (die er kort samengevat op neer komen dat [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [A] B.V. in de context van de verkoop van de Salon door [A] B.V. de schuldbekentenis heeft getekend in verband met eventueel nagekomen aanslagen van het UWV en de Belastingdienst die de Salon verschuldigd zou worden en die dus ten laste van [A] B.V. zouden komen) onvoldoende aanwijzingen vormen dat [eiser] bij het doen van de schuldbekentenis niet namens zichzelf handelde.
2.5 In cassatie dient van de onder 1.1-1.3 vermelde vastgestelde feiten te worden uitgegaan en kan tevens worden vastgesteld dat [A] B.V. handelde onder de naam [B](9).
Daarnaast dient in cassatie te worden uitgegaan van de hypothetische feitelijke grondslag dat de schuldbekentenis verband houdt met de verkoop van een kapsalon aan Zorgbureau door [A] B.V. en dat er betalingen zijn gedaan aan [A] B.V., nu het hof de juistheid van deze stellingen van [eiser] in rechtsoverweging 4.3 in het midden heeft gelaten.
2.6 [Eiser] heeft in eerste aanleg(10) gesteld dat Zorgbureau een bedrag van € 135.000,- van de koopprijs van de kapsalon heeft voldaan, te weten op 4 oktober 2004 een bedrag van € 55.000,-, op 2 maart 2005 € 45.000,- en op 2 december 2005 € 35.000,-. [Eiser] heeft deze stelling in hoger beroep(11) nader gemotiveerd met de stelling dat de eerste deelbetaling is voldaan op de bankrekening van [A] B.V. en dat de andere twee deelbetalingen zijn voldaan op de bankrekening van [eiser] in privé omdat de bankrekening van [A] B.V. in verband met de verkoop van kapsalon [C], de Salon, op dat moment reeds was opgeheven. [Eiser] heeft derhalve gesteld dat [A] B.V. de kapsalon heeft verkocht aan Zorgbureau en dat Zorgbureau aan [A] B.V. een bedrag van € 135.000,- van de koopprijs heeft betaald.
2.7 [Eiser] heeft voorts gesteld dat de door hem getekende 'schuldbekentenis' - die blijkens de tekst daarvan eveneens een bedrag van € 135.000,- betreft en is afgegeven in verband met de nabetalingen aan UWV en de Belastingdienst - tot borg (c.q. zekerheidsstelling) strekte voor eventuele nagekomen naheffingsaanslagen van het UWV en de Belastingdienst welke verband hielden met kapsalon [C], de Salon(12).
2.8 [Eiser] heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat (i) er geen enkele (rechts)grond is waarom hij in privé nabetalingen zou verrichten aan het UWV en de Belastingdienst tot een bedrag van € 135.000,-; (ii) Kapsalon [C], de Salon, altijd als nevenvestiging van [A] B.V. is geëxploiteerd zodat eventueel onbetaald gebleven premies en aanslagen ten laste zouden komen van [A] B.V. en (iii) Zorgbureau ook wist dat zij de kapsalon van [A] B.V. heeft gekocht heeft en niet van [eiser] in privé(13).
2.9 Gelet op deze stellingen is het oordeel van het hof dat [eiser] voor het overige niets heeft gesteld waaruit volgt dat Zorgbureau wist of moest begrijpen dat [eiser] de schuldbekentenis heeft gedaan namens [A] B.V., dat de tekst van de schuldbekentenis daarvoor geen aanknopingspunt biedt en verklaringen of gedragingen die een dergelijk aanknopingspunt wel zouden kunnen bieden, niet zijn gesteld, onbegrijpelijk althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
De klacht slaagt mitsdien, waardoor de behandeling van de overige klachten van het onderdeel achterwege kan blijven.
2.10 De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen de oordelen van het hof in de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.6. In deze rechtsoverwegingen neemt het hof zijn oordeel in rechtsoverweging 4.3 dat [eiser] bij het doen van de schuldbekentenis voor zichzelf heeft gehandeld, tot uitgangspunt. Nu dit oordeel van het hof niet in stand kan blijven, behoeven de onderdelen m.i. geen behandeling.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem van 20 september 2011 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 3.1-3.3 van het arrest van het hof Arnhem van 20 september 2011.
2 Voor zover in cassatie van belang.
3 [Eiser] heeft daarnaast een reconventionele vordering ingesteld doch deze speelt in cassatie geen rol.
4 De grieven I-IX zien op de vordering in conventie.
5 De cassatiedagvaarding is op 20 december 2011 uitgebracht.
6 Zie HR 11 maart 1977, LJN AC1877 (NJ 1977, 521 m.nt. GJS) en HR 26 juni 2009, LJN BH9284 (NJ 2010, 664 m.nt. Jac. Hijma) rov. 3.3.1.
7 Zie daarover Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 257.
8 Opgesomd op pag. 5 en 6 van de cassatiedagvaarding onder a t/m o.
9 Zie het uittreksel uit het handelsregister, overgelegd als productie 1 bij de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie.
10 CvA nr. 12 en 13.
11 MvG nr. 16, zie ook nr. 23 (toelichting op grief I).
12 Zie CvA nr. 13 en 16 en MvG nr. 17.
13 MvG nr. 27.