ECLI:NL:PHR:2013:BY5697
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Salduz-verweer bij weigering raadpleging advocaat voorafgaand aan verhoor
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte was veroordeeld voor diefstal met geweld en andere daaraan verbonden feiten. Verdachte stelde in hoger beroep dat hij niet voorafgaand aan zijn eerste politieverhoor de gelegenheid had gekregen om een advocaat te raadplegen, waardoor het Salduz-criterium was geschonden en de verklaringen uitgesloten moesten worden.
Het hof oordeelde dat verdachte, die op het moment van het verhoor 18 jaar was, ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn consultatierecht door te verklaren dat hij best wilde verklaren. Dit ondanks het feit dat hij nog jong was en eerdere contacten met justitie had gehad. Het hof vond dat het consultatierecht uitdrukkelijk met verdachte was besproken en dat er geen reden was tot het verlenen van een bedenktijd.
De Hoge Raad bevestigde deze overwegingen en verwierp het cassatieberoep. De Raad benadrukte dat het Salduz-criterium vereist dat een verdachte binnen redelijke grenzen voorafgaand aan het eerste verhoor de gelegenheid moet krijgen een advocaat te raadplegen, tenzij ondubbelzinnig afstand is gedaan. De Hoge Raad vond dat het hof dit zorgvuldig had beoordeeld en dat er geen vormverzuim was dat tot bewijsuitsluiting moest leiden.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen omdat verdachte ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste verhoor.