ECLI:NL:PHR:2013:BY6165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00242
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:46 BWArt. 1 Wet caoArt. 5 TLN-statutenArt. 16 TLN-statutenArt. 21 TLN-statuten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van prepensioenpremieverplichting in bedrijfstakpensioenfondsprotocol

In deze zaak staat de uitleg centraal van het 'Protocol Onderhandelingsaccoord' tussen werkgevers en werknemers in het beroepsgoederenvervoer over de invoering van een prepensioenregeling per 1 januari 2002. Het Prepensioenfonds vorderde betaling van premies over de periode 1 januari 2002 tot 20 februari 2003, terwijl werkgevers dit betwistten en terugbetaling eisten.

De kantonrechter oordeelde dat het protocol als cao bindend was en dat werkgevers gehouden waren premies te betalen vanaf 1 januari 2002. Het hof vernietigde dit vonnis en stelde dat pas vanaf 20 februari 2003, na wettelijke verplichtstelling, premies verschuldigd waren. Het hof baseerde dit op de uitleg dat de bedrijfstakheffing pas vanaf die datum verplicht was.

De Hoge Raad stelt dat het hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld. Uit het protocol volgt duidelijk dat de prepensioenregeling en daarmee de premiebetaling per 1 januari 2002 ingaat. De uitleg van het hof leidt tot een ongerijmd resultaat en miskent de objectieve uitlegmethode die geldt bij cao-achtige overeenkomsten. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Conclusie

12/00242
mr. Hammerstein
Zitting 7 december 2012
Conclusie inzake:
1. Stichting Prepensioenfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen
eiseres
tegen
1. [Verweerster 1] e.a.(1)
VERSTEK
Het gaat in deze zaak om het antwoord op de vraag of in een (pre)pensioenprotocol de verplichting is opgenomen om (pre)pensioenpremie te betalen met ingang van 1 januari 2002 of dat slechts medewerking zou worden verleend aan de totstandkoming van een verplichte pensioenregeling in de zin van de wet Bpf 2000, die - anders dan kennelijk werd beoogd - met ingang van 20 februari 2003 is gerealiseerd. Het hof heeft gekozen voor de laatste uitleg, die meebrengt dat onverschuldigd premie is betaald tussen 1 januari 2002 en 20 februari 2003. Hoewel de uitleg die het hof geeft, in hoge mate feitelijk is en in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden onderzocht, meen ik dat het oordeel van het hof niet in stand kan blijven. Het hof heeft gekozen voor een uitleg die niet uit het protocol volgt en die tot een ongerijmd resultaat leidt.
1. Feiten(2) en procesverloop
1.1 Prepensioenfonds is een(bedrijfstak) pensioenfonds in de zin van (thans) de Pensioenwet en voert de prepensioenregeling uit voor ondernemingen in het beroepsgoederenvervoer. [Verweerder] c.s. zijn werkgevers in het beroepsgoederenvervoer. Zij waren in de periode 1 januari 2002 - 20 februari 2003 lid van de werkgeversorganisatie in het beroepsgoederenvervoer Transport en Logistiek Nederland (hierna: TLN). TLN was partij bij het op 29 november 2000 overeengekomen "Protocol Onderhandelingsaccoord" (hierna: het Protocol). In het beroepsgoederenvervoer bestond tot 1 januari 2002 een (verplichte) VUT-regeling. In het Protocol zijn afspraken tussen werkgevers en werknemers gemaakt over de invoering per 1 januari 2002 van een prepensioenregeling ter vervanging van de VUT-regeling. Met ingang van 20 februari 2003 is deelneming in Prepensioenfonds wettelijk verplicht gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 1 van Pro de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Prepensioenfonds heeft [verweerder] c.s. (ook) over het tijdvak 1 januari 2002 - 20 februari 2003 premienota's doen toesturen waarop onder meer was vermeld: "Prepensioenpremie verplicht". Deze nota's zijn door [verweerder] c.s. voldaan. [Verweerder] c.s. hebben Prepensioenfonds op verschillende tijdstippen na 20 februari 2003 verzocht om terugbetaling van die premies, aan welke verzoeken Prepensioenfonds niet heeft voldaan.
1.2 In artikel 5 van Pro de TLN-statuten is vermeld:
"De vereniging tracht haar doel te bereiken door: [...] h. mede te werken aan het treffen van sociale voorzieningen voor de leden en hun personeel; i. het aangaan, wijzigen of opzeggen van collectieve arbeidsovereenkomsten; [...]."
Artikel 16 van Pro de statuten vermeldt:
"Elk lid van de vereniging heeft de plicht: [...]
b. Zich te onderwerpen aan de bepalingen van de statuten en van de reglementen van de vereniging en aan de rechtsgeldige besluiten van het hoofdbestuur, het dagelijks bestuur en van de besturen van een regio en/of deelmarkt van de vereniging en alle opgaven te doen, welke voor naleving van die bepalingen vereist worden.
c. De belangen van de vereniging naar vermogen voor te staan."
Artikel 21 van Pro de statuten vermeldt:
"Voorts is het hoofdbestuur bevoegd voor alle leden bindende besluiten te nemen ten aanzien van de volgende onderwerpen:
a. loon- en arbeidsvoorwaarden;
b.. sociale voorzieningen voor de leden en hun personeel;
c. de door de leden aan de vereniging te betalen bijdragen, indien bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Derden kunnen aan zodanige bindende besluiten geen rechten ontlenen."
1.3 In het op 29 september 2000 tot stand gekomen Pensioenprotocol is overeengekomen dat de werkgeversleden van TLN premie zouden gaan betalen aan het Prepensioenfonds. Het Protocol vermeldt in artikel 1:
"[...] De kosten van de vroegpensioenregeling en de overgangsmaatregelen worden gefinancierd door middel van een bedrijfstakheffing, te betalen door de werkgevers over de loonsom van alle werknemers van 16 tot 65 jaar werkzaam in de bedrijfstak. De grondslag voor de bedrijfstakheffing is gelijk aan de premiegrondslag voor de huidige VUT-regeling Beroepsgoederenvervoer, d.w.z. het bruto loon SV met als maximum het tot een jaarloon herleide maximum premiedagloon ingevolge de werkloosheidswet[...]."
en in artikel 1.3, voor zover van belang:
"De vroegpensioen overgangsmaatregelen gelden voor alle werknemers in het Beroepsgoederenvervoer die op 31 maart 2001 en 1 april 2001 in dienst zijn van een bij de VUT-regeling aangesloten werkgever en per 1 januari 2002 gaan deelnemen aan de vroegpensioenregeling en vanaf 1 januari 2002 tot de vroegpensioendatum onafgebroken blijven deelnemen aan de vroegpensioenregeling [...]"
1.2 [Verweerder] c.s. hebben een verklaring voor recht gevorderd dat de premies tot 20 februari 2003 onverschuldigd zijn betaald, met wettelijke rente, oplegging van een dwangsom en toewijzing van buitengerechtelijke kosten.
1.3 De kantonrechter(3) heeft de vorderingen van [verweerder] c.s. afgewezen nu een vereniging haar leden kan binden aan ten laste van die leden aangegane verplichtingen indien dat uitdrukkelijk in de statuten is bepaald. De statuten van TLN geven het hoofdbestuur in artikel 21 de Pro bevoegdheid collectieve arbeidsovereenkomsten aan te gaan en voor de leden bindende besluiten te nemen op het gebied van loon- en arbeidsvoorwaarden en sociale voorzieningen voor de leden en hun personeel. Een prepensioenregeling is aan te merken als uitgesteld loon en zonder meer te vatten onder het begrip arbeidsvoorwaarden. De leden van TLN zijn daarom aan het Protocol gebonden. Het Protocol is aan te merken als cao, ook al is dit niet als zodanig aangemeld, omdat het voldoet aan de essentialia van een cao zoals omschreven in artikel 1 van Pro de Wet cao.
1.4 Het hof heeft het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen toegewezen tot de in het arrest genoemde bedragen. Het hof overwoog daartoe dat in het Protocol geen verplichting is opgenomen om pensioenpremie te betalen met ingang van 1 januari 2002, maar is overeengekomen dat de werkgevers medewerking zouden verlenen aan de totstandkoming van een verplichte pensioenregeling in de zin van de wet Bpf 2000, die - anders dan werd beoogd - met ingang van 20 februari 2003 is gerealiseerd. Tot die datum is volgens het hof onverschuldigd betaald. Tegen dit oordeel heeft het pensioenfonds tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(4). Aan [verweerder] c.s. is verstek verleend. Het Prepensioenfonds heeft zijn stellingen schriftelijk doen toelichten.
1.5 Het verdient nog signalering dat de rechtbank Zwolle in een vergelijkbare procedure heeft aangenomen dat niet valt in te zien om welke reden de prepensioenregeling in afwachting van een eventuele verplichtstelling niet voor de leden van de bij het Protocol betrokken partijen (en hun leden) zou kunnen gelden(5). Het hof Arnhem oordeelde dat het Prepensioenfonds, wat er verder van zijn vorderingsrecht ook zij, ten aanzien van de in geding zijnde premievorderingen geen bevoegdheid had om een dwangbevel uit te vaardigen op grond van de Wet Bpf 2000. De wetgever heeft de bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen immers gekoppeld aan de periode van verplichtstelling, in die zin dat een dwangbevel slechts mag worden uitgevaardigd voor premies die verschuldigd zijn geworden in de periode(n) waarin de verplichtstelling van kracht was(6).
2. Beoordeling
2.1 Het middel richt zich tegen rov. 4.5:
4.5. Het hof beantwoordt de hiervoor geformuleerde vraag(7) ontkennend. In het als productie 7 bij de inleidende dagvaarding overgelegde Pensioenprotocol worden de tussen de cao-partijen in het beroepsgoederenvervoer gemaakte afspraken vastgelegd over de ombouw van de VUT-regeling naar een vroegpensioenregeling en over verbeteringen in het ouderdomspensioen (pagina 1, alinea 3). Uitdrukkelijk wordt vermeld dat de kosten van de vroegpensioenregeling worden gefinancierd "door middel van een bedrijfstakheffing, te betalen door de werkgevers over de loonsom van alle werknemers van 16 tot 65 jaar werkzaam in de bedrijfstak" (pagina 1 onderaan). Een bedrijfstakheffing is een heffing gebaseerd op een verplichtstelling krachtens de Wet Bpf 2000. In het Pensioenprotocol is dus niet overeengekomen dat de werkgevers die daarbij partij waren met ingang van 1 januari 2002 verplicht waren prepensioenpremie te betalen maar is overeengekomen dat zij hun medewerking zouden verlenen aan de totstandkoming van een in de zin van de Wet Bpf 2000 verplichte prepensioenregeling. Dat is anders dan kennelijk werd beoogd eerst met ingang van 20 februari 2003 gerealiseerd. [verweerder] c.s. waren tot die datum niet gehouden prepensioenpremie te betalen en hetgeen zij over de periode tot 20 februari 2003 hebben betaald kunnen zij in beginsel als onverschuldigd betaald terugvorderen. Dat betekent dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en dat [verweerder] c.s. bij een verdere behandeling van hun grieven geen belang hebben.
2.2 Het middel bevat onder 3.2 een aantal klachten, die zijn uitgewerkt en toegelicht in de onderdelen 3.2 tot en met 3.7, en klaagt in de kern dat het hof aan het Protocol een onjuiste en onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven ten aanzien van de daaruit voor leden van TLN voortvloeiende verplichtingen en een onjuiste maatstaf of methode van uitleg heeft gehanteerd. Het middel sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank(8). Het wordt allereerst 'toegelicht'(9) met het betoog dat de uitleg van het Protocol - een overeenkomst opgesteld tussen werkgevers - en werknemersorganisaties - dient plaats te vinden in een geschil tussen twee partijen: [verweerder] c.s. aan de ene kant en het Prepensioenfonds aan de andere kant, die niet bij de totstandkoming van het Protocol betrokken zijn geweest. Het Protocol zou daarom objectief ('volgens de cao-norm') moeten worden uitgelegd. De bewoordingen van het pensioenprotocol gelezen in de context van het protocol als geheel en mede in aanmerking nemende de aannemelijkheid van het rechtsgevolg van de gekozen uitleg zijn maatgevend; rekening houdende met ratio en strekking van de regelingen. Het hof zou dit hebben miskend.
2.3 Vervolgens wordt geklaagd dat indien het hof dit niet heeft miskend - maar de objectieve uitlegmethode heeft gehanteerd - het oordeel onbegrijpelijk is. Het hof kon op grond van de bewoordingen van het Protocol en de vaststaande feiten niet oordelen dat een 'bedrijfstakheffing' een heffing is, gebaseerd op een verplichtstelling krachtens de Wet Bpf 2000.
2.4 In de cassatiedagvaarding wordt dit betoog nog nader toegelicht met zeventien genummerde argumenten(10). Het onderdeel sluit zich hoofdzakelijk aan bij het oordeel van de rechtbank en de instemmende noot van Van Marwijk Kooy(11). De annotator meent nog wel dat te onduidelijk is aan de hand van welk criterium de kantonrechter de statuten van TLN uitlegt en vraagt zich af of statuten niet tot de lidmaatschapsverhouding behoren, die als contractueel van aard moet worden gezien. Meer voor de hand lag de enkele verwijzing naar artikel 5, nu artikel 21 ziet Pro op de interne bevoegdheidsverdeling tussen bestuur en ledenvergadering. Voor het overige acht de annotator de uitspraak van de rechtbank echter zonder meer juist. Van Marwijk Kooy meent - met de rechtbank - dat het Protocol als zodanig bindend is; los van de verplichte regeling. Degelink wijst eveneens op het oordeel van de rechtbank(12) als steun voor de opvatting dat de werkgever gebonden kan zijn aan een pensioenbepaling die is neergelegd in een overeenkomst tussen een werkgevers- en werknemersvereniging, die niet is aangemeld als cao (art. 4 Wet Pro op de loonvorming) zoals een protocol. Een werkgeversvereniging kan namelijk in een ledencontract verplichtingen ten laste van haar leden aangaan, mits dat uitdrukkelijk in de statuten is opgenomen (art. 2:46 BW Pro)(13).
2.5 Het hof heeft in rov. 3 de door de kantonrechter vastgestelde feiten overgenomen. Tot deze feiten behoort ook de vaststelling van de kantonrechter (onder 4) dat in het Protocol is overeengekomen dat de werkgeversleden van TLN premie zouden gaan betalen aan het Prepensioenfonds. In rov. 4.2 heeft het hof overwogen dat in het Protocol tussen werkgevers en werknemers afspraken zijn gemaakt "over de invoer per 1 januari 2002 van een prepensioenregeling ter vervanging van de VUT-regeling". Tussen partijen staat vast dat de VUT-regeling eindigde per laatstgemelde datum en dat de prepensioenregeling diende ter vervanging van de VUT-regeling. Uit een en ander kan naar mijn opvatting geen andere conclusie worden getrokken dan dat in het Protocol een pensioenregeling is overeengekomen ingaande 1 januari 2002. Ten aanzien van de ingangsdatum van hetzelfde Protocol oordeelde overigens ook de kantonrechter in Zwolle dat deze niet voor meerdere uitleg vatbaar is(14). Nu de bestreden rov. 4.5 van het hof niet valt te verenigen met de in het Protocol genoemde ingangsdatum, is de overweging in elk geval reeds om die reden onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
2.6 De uitleg van het hof steunt volledig op veronderstelling dat een bedrijfstakheffing een heffing is, die is gebaseerd op een verplichtstelling krachtens de Wet Bpf 2000. Het hof acht van belang dat 'uitdrukkelijk' is vermeld dat de kosten van de vroegpensioenregeling worden gefinancierd 'door middel van een bedrijfstakheffing, te betalen door de werkgevers over de loonsom van alle werknemers van 16 tot 65 jaar werkzaam in de bedrijfstak'. Het begrip bedrijfstakheffing legt het hof vervolgens uit als een heffing gebaseerd op een verplichtstelling krachtens de Wet Bpf 2000. In het Pensioenprotocol is volgens het hof dus niet overeengekomen dat de werkgevers, die daarbij partij waren, met ingang van 1 januari 2002 verplicht waren prepensioenpremie te betalen. Dit baseert het hof op de context, zoals die in het document zelf wordt geschetst, met betrekking tot de totstandkoming. Het protocol strekte volgens het hof kennelijk tot uitvoering van allerlei (dwingende) regelingen in de context van onderhandelende cao-partijen.
Daarmee sluit het hof uit dat een bedrijfstakheffing ook gebaseerd kan zijn op een overeenkomst. Het prepensioenfonds betoogt m.i. terecht dat het mogelijk is om het begrip bedrijfstakheffing op te vatten als een heffing die partijen zelf overeenkomen. Het hof is dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. In elk geval acht ik het oordeel van het hof dat pas van een heffing sprake is bij een verplichtstelling onbegrijpelijk, omdat ook zonder een verplichtstelling werkgevers en werknemers een prepensioenregeling kunnen overeenkomen. Het debat in eerste aanleg ging dan ook over een andere vraag, namelijk of het prepensioenfonds aan een dergelijke overeenkomst rechten kon ontlenen. De werkgevers meenden dat deze vraag ontkennend moest worden beantwoord, maar de kantonrechter oordeelde daarover anders met toepassing van art. 2:46 BW Pro. Nu dit laatste oordeel in hoger beroep niet is beoordeeld, moet in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid daarvan worden uitgegaan.
2.7 Hierbij verlies ik niet uit het oog dat een door de rechter die over de feiten oordeelt, gegeven uitleg van een overeenkomst niet onbegrijpelijk is enkel op de grond dat een andere uitleg evenzeer mogelijk is(15). Daarbij geldt ook nog dat het de rechter vrijstaat een contractsbepaling waaromtrent partijen niet een eensluidend standpunt hebben ingenomen, zelfstandig uit te leggen, ook al is deze uitleg door geen der partijen aangevoerd of verdedigd(16). Ik meen echter met de opsteller van het middel dat de uitleg van het hof onbegrijpelijk is, omdat het Protocol geen andere conclusie toelaat over de ingangsdatum.
2.8 Voor zover het middel klaagt over een onjuiste maatstaf geldt dat bij de uitleg van de betekenis van schriftelijke overeenkomsten op de eerste plaats van belang is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan een beding mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Op de tweede plaats is van belang dat de rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar niet uitsluitend worden bepaald door het beding en de verdere inhoud van de akte, maar ook door hetgeen uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit, op grond waarvan partijen hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij(17). Bij de uitleg van overeenkomsten geldt voorts dat de rechter de betekenis van een contractsbepaling niet louter aan de hand van de redelijkheid en de billijkheid mag vaststellen zonder acht te slaan op door partijen aangevoerde relevante omstandigheden zoals het verloop van de onderhandelingen(18). Niet uitsluitend de grammaticale betekenis van de overeengekomen bepaling is van belang. Indien het mogelijk is de gemeenschappelijke partijbedoeling vast te stellen prevaleert deze boven een eventuele afwijkende of dubbelzinnige wilsverklaring(19). Bij de uitleg moet worden gelet op hetgeen gebruikelijk is in de tak van handel waarin de overeenkomst is aangegaan(20). Voorts is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die gekozen woorden hebben, gelezen in de context van het geschrift als geheel in de desbetreffende kring van het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van een geschrift van belang(21). Tjittes wijst er op dat voor een contextuele uitleg van een beding vaak het commerciële doel van het contract van belang is. Indien de ene uitleg past bij het commerciële doel en de andere uitleg niet dan ligt de eerstgenoemde meer voor de hand(22). Hoe partijen een contract aanvankelijk hebben uitgevoerd, is een belangrijke indicatie is van hetgeen de bedoeling was van partijen bij de totstandkoming(23). In het onderhavige geval geldt dat het hof heeft vastgesteld dat het pensioenfonds over het tijdvak 1 januari 2002 - 20 februari 2003 premienota's heeft doen toesturen waarop onder meer was vermeld: "Prepensioenpremie verplicht". Deze nota's zijn aanvankelijk door [verweerder] c.s. voldaan(24). Het is niet duidelijk of het hof van de vorenbedoelde maatstaf is uitgegaan, maar daaraan getoetst is de uitleg van het hof naar mijn mening onbegrijpelijk.
2.9 Ik meen overigens dat het middel terecht betoogt dat de uitleg van het Protocol moet geschieden aan de hand van een meer objectieve maatstaf, omdat de kantonrechter het Protocol ziet als een soort van CAO(25). Dan geldt a fortiori dat de door het hof gebruikte uitleg onbegrijpelijk is, omdat uit de verwijzing naar de bedrijfstakheffing niet zonder meer volgt dat de verplichting tot premiebetaling pas per 20 februari 2003 gold. In het Protocol is verder geen enkele aanwijzing te vinden voor het oordeel van het hof dat de werkgevers alleen hun medewerking zouden moeten verlenen aan de totstandkoming van de Prepensioenregeling. Die verplichting is trouwens moeilijk te rijmen met een verplichtstelling krachtens de Wet Ppf 2000. Het hof had zijn uitleg met het oog hierop behoorlijk moeten motiveren. De rechter is weliswaar niet gehouden in zijn motivering expliciet duidelijk te maken welke 'uitlegmaatstaf' van toepassing is(26), maar uit de bestreden overweging valt over de gehanteerde maatstaf geen enkele indicatie af te leiden.
2.10 Bij welke maatstaf ook valt niet voorbij te gaan aan de zinsnede in het Protocol dat de Vroegpensioenregeling ingaat op 1 januari 2002. De uitleg dat de werkgevers alleen hun medewerking zouden verlenen aan de totstandkoming van een regeling valt daarmee niet te rijmen. Bovendien is ook het resultaat van deze uitleg onaanvaardbaar. Partijen hebben beoogd de VUT-regeling te vervangen, maar zouden op grond van de uitleg, die het hof geeft aan het begrip bedrijfstakheffing, afhankelijk zijn van de verplichtstelling op grond van de wet waardoor tussen beide regelingen in dit geval een gat viel van meer dan een jaar. Ik acht dat zodanig in strijd met de overige inhoud van het Protocol dat deze uitleg ook daarom als onbegrijpelijk moet worden gekwalificeerd. Het is niet denkbaar dat partijen een regeling hebben getroffen, die het mogelijk maakte dat voor werknemers gedurende een lange tijd onzeker is of zij aanspraak kunnen (blijven) maken op een prepensioen dat de werkgevers wel degelijk hebben beoogd tot stand te brengen.
2.11 In het vonnis van de kantonrechter van 17 augustus 2009 zijn alle vorderingen van [verweerder] c.s. afgewezen. Nu het hof niet alle grieven daartegen heeft behandeld, zal verwijzing moeten volgen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Wnd. A-G
1 1) [Verweerster 1] 2) [Verweerster 2] 3) [Verweerster 3] 4) Interway Holland BV 5) [Verweerster 5] 6) [Verweerster 6] 7) [Verweerster 7] 8) [Verweerster 8] 9) [Verweerster 9] 10) F & R Transport BV 11) [Verweerster 11] 12) [Verweerder 12], h.o.d.n. [C] en zijn rechtsopvolger [D] BV 13) [Verweerster 13] 14) [Verweerster 14] 15) [Verweerster 15] 16) Ceri Transport BV 17) [Verweerster 17]
2 Rov. 3 van het bestreden arrest verwijst voor de feiten naar rov. 2-9 uit het vonnis van de rechtbank. Rov. 4.2 bevat echter een overzicht met betrekking tot waar het in deze zaak om gaat. Nu in de cassatiedagvaarding een beroep wordt gedaan de op feiten zoals vastgesteld door de rechtbank geef ik eveneens rov. 2-9 weer uit het vonnis van de rechtbank voor zover niet reeds in rov. 4.2 van het arrest samengevat. De eerste alinea sluit aan bij rov. 4.2.
3 Rb. Amsterdam 17 augustus 2009, LJN BK1874, JAR 2009, 258, PJ 2009, 195 m. nt. Van Marwijk Kooy. Het bestreden arrest is van 4 oktober 2011 en is (nog) niet gepubliceerd.
4 Het bestreden arrest is van 4 oktober 2011. Aanvankelijk werd een cassatiedagvaarding uitgebracht op 2 januari 2012. Deze werd echter bij herstelexploot ingetrokken op 3 januari; bij welke gelegenheid een nieuw dagvaarding werd uitgebracht. In de ST onder 8 wordt toegelicht dat de eerste dagvaarding abusievelijk was uitgebracht aan twee partijen, die door het hof niet ontvankelijk waren verklaard in hun hoger beroep.
5 Rb. Zwolle 27 oktober 2009, LJN BK2769, rov. 4.4.4.
6 Hof Arnhem 25 maart 2008, LJN BC8280.
7 Voor de leesbaarheid citeer ik rov. 4.4: "De grieven stellen de vraag aan de orde of TLN namens (onder meer) [verweerder] c.s. een verplichting inzake een pensioenregeling kon aangaan en of het Prepensioenfonds daaraan rechten kan ontlenen. Daarbij is in de eerste plaats van belang, zoals Prepensioenfonds ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep nader heeft toegelicht, of in het Pensioenprotocol een verplichting is opgenomen om prepensioenpremie te betalen voor de werkgevers die lid van de werkgeversvereniging zijn, die partij is bij het Pensioenprotocol, zoals Prepensioenfonds stelt maar [verweerder] c.s. betwisten."
8 De eerste alinea die 3.2 genummerd is op pagina 13 van de cassatiedagvaarding.
9 De tweede alinea 3.2 tot 3.6.
10 Onderdeel 3.7.
11 PJ 2009, 195.
12 Zie voetnoot 22 in B. Degelink , 'Contractsvrijheid bij het pensioenaanbod', ArbeidsRecht 2011, 44. Degelink noemt naast dit vonnis ook nog Ktr. Zwolle 14 november 2006, PJ 2007, 66 en Ktr. Zwolle 27 oktober 2009, PJ 2009, 194.
13 B. Degelink , 'Contractsvrijheid bij het pensioenaanbod', ArbeidsRecht 2011, 44.
14 Rb. Zwolle, 27 oktober 2009, LJN BK2769, PJ 2009,194, rov. 4.4.4: "De ingangsdatum 1 januari 2002 is niet voor meerdere uitleg vatbaar. Het staat er helder: 'de prepensioenregeling gaat in op 1 januari 2002'. Met ingang van die datum wordt ook premie geheven. In het Protocol staat nergens dat de regeling pas ná de verplichtstelling ingaat zoals de gedaagde partij betoogt. De verplichtstelling wordt zelfs nergens in de regeling genoemd."
15 HR 17 september 2004, NJ 2005, 169, rov. 3.3.3 (slot).
16 HR 21 juni 1996, NJ 1997, 32, rov. 3.4: "Onderdeel 2 betoogt dat het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, door aan te nemen dat de broncodes tot de documentatie behoren, ofschoon geen van beide partijen dit heeft verdedigd. Het onderdeel faalt, aangezien het de rechter vrijstaat een contractsbepaling waaromtrent partijen niet een eensluidend standpunt hebben ingenomen, zelfstandig uit te leggen, ook al is deze uitleg door geen der partijen aangevoerd of verdedigd."
17 HR 13 maart 1981 (Ermes/Haviltex), NJ 1981, 635, rov. 2; HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox); HR 19 november 2010, NJ 2010, 623, rov. 3.3, rov. 3.4.1; HR 23 december 2005, NJ 2010, 62, met noot Wissink, rov. 3.6.
18 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III 2010, nr. 377. Zie in dit verband HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199, rov. 3.9: "Het Hof is niet ingegaan op de stellingen van partijen over het verloop van de onderhandelingen en het door hen met de overeenkomst beoogde doel, noch op hetgeen de in eerste aanleg door de Rechtbank gehoorde getuigen hieromtrent hebben verklaard. Het Hof mocht deze stellingen en verklaringen niet onbesproken laten, nu het hier gaat om stellingen en verklaringen die van belang zijn voor de beantwoording van de aan de orde zijnde vraag van uitleg van de overeenkomst."
19 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III 2010, nr. 362.
20 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III 2010, nr. 376.
21 HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron.
22 Tjittes 2009, Uitleg van schriftelijke contracten, p. 37 en verder.
23 Tjittes 2009, Uitleg van schriftelijke contracten, p. 39.
24 Rov. 4.2 van het bestreden arrest.
25 Zie over de objectieve uitlegmethode en 'de CAO norm' in dit verband voorts: M.H. Wissink 2011, 'Vertrouwen op tekstuele uitleg' in: Strikwerda's Conclusies (red. De Boer e.a.), p. 585-601; H.N. Schelhaas, 'De uitleg van overeenkomsten ná DSM/Fox', MvV februari 2006, nr. 2, p. 26-32; W.L. Valk, 'Kijk naar jezelf', Contracteren 2002, p. 57; Tjittes 2009, Uitleg van schriftelijke contracten, p. 62-63.
26 HR 23 maart 2007, NJ 2007, 175, rov. 3.3.2: "Het hof behoefde weliswaar niet met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen dat het bij zijn uitleg de Haviltexmaatstaf voor ogen heeft gehad aangezien dit laatste ook kan blijken uit zijn (verdere) overwegingen (vgl. HR 6 maart 1998, NJ 1999, 113)."