1 1) [Verweerster 1] 2) [Verweerster 2] 3) [Verweerster 3] 4) Interway Holland BV 5) [Verweerster 5] 6) [Verweerster 6] 7) [Verweerster 7] 8) [Verweerster 8] 9) [Verweerster 9] 10) F & R Transport BV 11) [Verweerster 11] 12) [Verweerder 12], h.o.d.n. [C] en zijn rechtsopvolger [D] BV 13) [Verweerster 13] 14) [Verweerster 14] 15) [Verweerster 15] 16) Ceri Transport BV 17) [Verweerster 17]
2 Rov. 3 van het bestreden arrest verwijst voor de feiten naar rov. 2-9 uit het vonnis van de rechtbank. Rov. 4.2 bevat echter een overzicht met betrekking tot waar het in deze zaak om gaat. Nu in de cassatiedagvaarding een beroep wordt gedaan de op feiten zoals vastgesteld door de rechtbank geef ik eveneens rov. 2-9 weer uit het vonnis van de rechtbank voor zover niet reeds in rov. 4.2 van het arrest samengevat. De eerste alinea sluit aan bij rov. 4.2.
3 Rb. Amsterdam 17 augustus 2009, LJN BK1874, JAR 2009, 258, PJ 2009, 195 m. nt. Van Marwijk Kooy. Het bestreden arrest is van 4 oktober 2011 en is (nog) niet gepubliceerd.
4 Het bestreden arrest is van 4 oktober 2011. Aanvankelijk werd een cassatiedagvaarding uitgebracht op 2 januari 2012. Deze werd echter bij herstelexploot ingetrokken op 3 januari; bij welke gelegenheid een nieuw dagvaarding werd uitgebracht. In de ST onder 8 wordt toegelicht dat de eerste dagvaarding abusievelijk was uitgebracht aan twee partijen, die door het hof niet ontvankelijk waren verklaard in hun hoger beroep.
5 Rb. Zwolle 27 oktober 2009, LJN BK2769, rov. 4.4.4.
6 Hof Arnhem 25 maart 2008, LJN BC8280.
7 Voor de leesbaarheid citeer ik rov. 4.4: "De grieven stellen de vraag aan de orde of TLN namens (onder meer) [verweerder] c.s. een verplichting inzake een pensioenregeling kon aangaan en of het Prepensioenfonds daaraan rechten kan ontlenen. Daarbij is in de eerste plaats van belang, zoals Prepensioenfonds ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep nader heeft toegelicht, of in het Pensioenprotocol een verplichting is opgenomen om prepensioenpremie te betalen voor de werkgevers die lid van de werkgeversvereniging zijn, die partij is bij het Pensioenprotocol, zoals Prepensioenfonds stelt maar [verweerder] c.s. betwisten."
8 De eerste alinea die 3.2 genummerd is op pagina 13 van de cassatiedagvaarding.
9 De tweede alinea 3.2 tot 3.6.
10 Onderdeel 3.7.
11 PJ 2009, 195.
12 Zie voetnoot 22 in B. Degelink , 'Contractsvrijheid bij het pensioenaanbod', ArbeidsRecht 2011, 44. Degelink noemt naast dit vonnis ook nog Ktr. Zwolle 14 november 2006, PJ 2007, 66 en Ktr. Zwolle 27 oktober 2009, PJ 2009, 194.
13 B. Degelink , 'Contractsvrijheid bij het pensioenaanbod', ArbeidsRecht 2011, 44.
14 Rb. Zwolle, 27 oktober 2009, LJN BK2769, PJ 2009,194, rov. 4.4.4: "De ingangsdatum 1 januari 2002 is niet voor meerdere uitleg vatbaar. Het staat er helder: 'de prepensioenregeling gaat in op 1 januari 2002'. Met ingang van die datum wordt ook premie geheven. In het Protocol staat nergens dat de regeling pas ná de verplichtstelling ingaat zoals de gedaagde partij betoogt. De verplichtstelling wordt zelfs nergens in de regeling genoemd."
15 HR 17 september 2004, NJ 2005, 169, rov. 3.3.3 (slot).
16 HR 21 juni 1996, NJ 1997, 32, rov. 3.4: "Onderdeel 2 betoogt dat het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, door aan te nemen dat de broncodes tot de documentatie behoren, ofschoon geen van beide partijen dit heeft verdedigd. Het onderdeel faalt, aangezien het de rechter vrijstaat een contractsbepaling waaromtrent partijen niet een eensluidend standpunt hebben ingenomen, zelfstandig uit te leggen, ook al is deze uitleg door geen der partijen aangevoerd of verdedigd."
17 HR 13 maart 1981 (Ermes/Haviltex), NJ 1981, 635, rov. 2; HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox); HR 19 november 2010, NJ 2010, 623, rov. 3.3, rov. 3.4.1; HR 23 december 2005, NJ 2010, 62, met noot Wissink, rov. 3.6.
18 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III 2010, nr. 377. Zie in dit verband HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199, rov. 3.9: "Het Hof is niet ingegaan op de stellingen van partijen over het verloop van de onderhandelingen en het door hen met de overeenkomst beoogde doel, noch op hetgeen de in eerste aanleg door de Rechtbank gehoorde getuigen hieromtrent hebben verklaard. Het Hof mocht deze stellingen en verklaringen niet onbesproken laten, nu het hier gaat om stellingen en verklaringen die van belang zijn voor de beantwoording van de aan de orde zijnde vraag van uitleg van de overeenkomst."
19 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III 2010, nr. 362.
20 Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III 2010, nr. 376.
21 HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 m.nt. C.E. du Perron.
22 Tjittes 2009, Uitleg van schriftelijke contracten, p. 37 en verder.
23 Tjittes 2009, Uitleg van schriftelijke contracten, p. 39.
24 Rov. 4.2 van het bestreden arrest.
25 Zie over de objectieve uitlegmethode en 'de CAO norm' in dit verband voorts: M.H. Wissink 2011, 'Vertrouwen op tekstuele uitleg' in: Strikwerda's Conclusies (red. De Boer e.a.), p. 585-601; H.N. Schelhaas, 'De uitleg van overeenkomsten ná DSM/Fox', MvV februari 2006, nr. 2, p. 26-32; W.L. Valk, 'Kijk naar jezelf', Contracteren 2002, p. 57; Tjittes 2009, Uitleg van schriftelijke contracten, p. 62-63.
26 HR 23 maart 2007, NJ 2007, 175, rov. 3.3.2: "Het hof behoefde weliswaar niet met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen dat het bij zijn uitleg de Haviltexmaatstaf voor ogen heeft gehad aangezien dit laatste ook kan blijken uit zijn (verdere) overwegingen (vgl. HR 6 maart 1998, NJ 1999, 113)."