1 Het arrest van het hof is van 23 augustus 2011. De cassatiedagvaarding werd op 23 november 2011 uitgebracht.
2 Schriftelijke toelichting namens Alternatieve B.V., alinea 2.3.6 (p. 11).
3 Men kan er licht toe komen te denken, dat wat door de één als onwenselijke speculatie wordt gezien, door de ander als (toe te juichen) marktwerking wordt bestempeld.
4 Er zullen meestal verschillende hypotheses, en maar bij uitzondering slechts twee, mogelijk zijn.
5 Bij wege van illustratie: HR 28 mei 2010, NJ 2010, 297, rov. 3.3.2; zie ook HR 24 december 2010, NJ 2011, 16, rov. 3.2. Wel mogen onder omstandigheden na verwijzing nadere producties ter ondersteuning van daarvóór ingebrachte stellingen worden overgelegd en mogen de desbetreffende stellingen ook worden gewijzigd, waarbij aan de rechter die over de feiten oordeelt een - ruime - beoordelingsmarge toekomt, HR 25 maart 2011, RvdW 2011, 419, rov. 3.4; en mogen voor in eerdere instanties aangevoerde stellingen nadere argumenten ter uitwerking en toelichting worden aangevoerd, HR 26 februari 2010, NJ 2011, 474 m.nt. H.J. Snijders.
6 Zie over het opzet-vereiste dat hier namens Alternatieve B.V. wordt aangehaald bijvoorbeeld T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Hijma, 2011, art. 3:44, aant. 5; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III*, 2010, nr. 252.
7 Ik herinner er aan dat de uitleg van het door partijen gestelde is voorbehouden aan de rechters in feitelijke instanties, zie Asser, Civiele cassatie, 2011, nr. 4.7.3.4.
8 Ik doel hier op de rechtsleer die met het trefwoord "grievenstelsel" wordt aangeduid. Het namens Alternatieve B.V. in dit cassatieberoep aangevoerde lijkt ervan uit te gaan dat (ook) Alternatieve B.V. kon profiteren van het leerstuk dat als "devolutieve werking van het hoger beroep" bekend staat. Dat is in dit geval niet juist.
9 Voor elk geslaagd geval van bedrog geldt waarschijnlijk dat de bedrogene tevreden was zo lang hij de feiten terzake waarvan hij bedrogen werd niet kende.
10 Voor deze stelling worden alleen vindplaatsen uit de eerste aanleg aangewezen.
11 Zodat begrijpelijk is dat het hof, naar in de rede ligt, deze stellingen in die zin heeft verstaan; zie verder de in voetnoot 7 aangehaalde vindplaats.
12 Voor het argument onder j) worden ook alleen vindplaatsen uit de eerste aanleg aangewezen.
13 Juist de in dit onderdeel ten tonele gevoerde stellingen betreffende Westgronden B.V., komen in de stellingen uit de eerste aanleg waarnaar onderdeel 2.3.2 onder a) verwijst, niet voor.
14 Bij wege van illustratie: bij Conclusie van dupliek (etcetera) in eerste aanleg, alinea 3, voeren [verweerder] c.s. aan wat door het Amsterdamse hof in rov. 4.12 "in de tweede plaats" wordt behandeld.
Ik merk overigens op dat in de procedure vóór cassatie de nadruk sterk lag op het meningsverschil over de vraag óf er een overeenkomst tussen de partijen tot stand was gekomen. Nadat de rechtbank in de eerste aanleg had geoordeeld dat dat niet het geval was, is het debat in appel bij het Haagse hof geheel op die vraag gericht geweest. De inhoudelijke argumenten over de vraag of bij ontbreken van een wilsgebrek op andere voorwaarden zou zijn gecontracteerd, zijn daardoor voor een zeer groot deel pas ná de cassatie en verwijzing uitgewisseld. Dat is in het licht van de manier waarop het debat in deze procedure is verlopen, niet onverenigbaar met de rechtsleer waar ik in alinea 16 hiervóór op doelde. Vanzelfsprekend weegt daarbij mee dat in het verwijzingsarrest van de Hoge Raad is aangenomen dat het Haagse hof een ontoereikend oordeel had gegeven over deze vraag (namelijk: de vraag of de overeenkomst, wanneer er geen wilsgebrek zou zijn geweest, op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten). Dat bracht de partijen er allicht, en met recht, toe zich daarna op die vraag te concentreren, en er daarbij van uit te gaan dat die vraag aan de hand van de tot dan toe aangevoerde stellingen voldoende duidelijk aan de orde was gesteld. Zie ook T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Winters, 2012, art. 424, aant. 5 onder b en c.