ECLI:NL:PHR:2013:BY6752

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02807
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 4 ToescheidingsovereenkomstArt. 6 lid 1 ToescheidingsovereenkomstArt. 1 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892Art. 81 lid 1 ROArt. 426a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlandse nationaliteit op grond van Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname

In deze zaak staat de vraag centraal of verzoekster op grond van art. 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname (TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verzoekster werd geboren in 1974 en erkend in 1978. De rechtbank 's-Gravenhage stelde vast dat zij bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder, maar dat zij op grond van art. 6 lid 1 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit volgde bij inwerkingtreding van de TOS in 1975.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet kon opteren voor de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro, omdat dit artikel slechts een correctiemogelijkheid biedt voor gevallen waarin minderjarigen een andere nationaliteit verkrijgen dan zij zouden hebben gehad als zij meerderjarig waren geweest op het moment van inwerkingtreding van de TOS. Verzoekster had geen andere nationaliteit verkregen dan zij zou hebben gehad bij meerderjarigheid, zodat de optiemogelijkheid niet openstond.

Verzoekster stelde in cassatie dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had, met name dat zij als meerderjarige het Nederlanderschap had kunnen verkrijgen als zij vóór 25 november 1975 buiten Suriname was gaan wonen. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat art. 6 lid 4 TOS Pro niet voorziet in een vrije keuze voor meerderjarigen om alsnog te opteren, maar slechts een fictie van meerderjarigheid hanteert zonder wijziging van woonplaats.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt deze conclusie en wijst het beroep af, waarmee het oordeel van de rechtbank blijft staan dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoekster verkrijgt niet de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 6 lid 4 TOS.

Conclusie

Zaak 12/02807
Mr. P. Vlas
Zitting, 14 december 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. In deze zaak komt de vraag aan de orde of [verzoekster] op grond van art. 6 lid 4 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132, hierna: TOS) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. [Verzoekster] is op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] geboren als natuurlijk kind van [betrokkene 1]. Op 3 augustus 1978 is [verzoekster] erkend door [betrokkene 2].
3. [Verzoekster] heeft de rechtbank 's-Gravenhage verzocht vast te stellen dat zij het Nederlanderschap bezit. Zij stelt dat namens haar overeenkomstig art. 6 lid 4 TOS Pro is geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. De Staat heeft verweer gevoerd.
4. Bij beschikking van 8 maart 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoekster] op [geboortedatum] 1974 bij geboorte op grond van art. 1, aanhef en onder c, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI) door afstamming van een ongehuwde Nederlandse moeder de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Bij de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 was [verzoekster] minderjarig en woonde zij met haar moeder in Suriname. Op grond van art. 6 lid 1 TOS Pro volgde [verzoekster] haar moeder in de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit. Niet is gesteld of gebleken dat de erkenning door [betrokkene 2] gevolgen heeft gehad voor de nationaliteit van [verzoekster].
5. Volgens de rechtbank kon [verzoekster] niet op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro voor de Nederlandse nationaliteit opteren. [Verzoekster] zou immers, indien zij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, eveneens de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen en de Nederlandse nationaliteit hebben verloren. Art. 6 lid 4 TOS Pro berust niet op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden enkel daardoor gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor een nationaliteit die afwijkt van die van de vader of eventueel de moeder. Het artikel beoogt slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor gevallen waarin de werking van de leden 1 en 2 ertoe zou leiden dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij of zij zou hebben verkregen indien hij of zij al meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat [verzoekster] niet met rechtsgevolg op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro kon opteren voor de Nederlandse nationaliteit en vanaf 25 november 1975 niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af (rov. 5.1-5.4).
6. [Verzoekster] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft geen verweer gevoerd.
7. Volgens het middel getuigt het oordeel van de rechtbank in rov. 5.3 van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover de klachten al voldoen aan de daaraan te stellen eisen op grond van art. 426a Rv, falen zij.
8. Als ik het middel goed begrijp, wordt in onderdeel 3.2 geklaagd dat [verzoekster], indien zij op 25 november 1975 meerderjarig was geweest, het Nederlanderschap had kunnen verkrijgen als zij vóór die datum buiten Suriname was gaan wonen, zodat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar geen beroep op de optie van art. 6 lid 4 TOS Pro toekomt. Dit standpunt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat art. 6 lid 4 TOS Pro niet op de gedachte berust dat een persoon die meerderjarig is geworden gelegenheid moet worden geboden alsnog door eigen vrije keuze te bepalen of hij de nationaliteit van zijn vader of moeder wil volgen, maar beoogt de bepaling slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor die gevallen waarin de werking van art. 6 leden Pro 1 en 2 TOS ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij zou hebben verkregen indien hij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS.(1) In het kader van art. 6 lid 4 TOS Pro dient slechts de fictie van de meerderjarigheid te worden gehanteerd, de woonplaats blijft ongewijzigd. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat art. 6 lid 4 TOS Pro iedereen die op 25 november 1975 minderjarig was de mogelijkheid biedt alsnog voor de Nederlandse nationaliteit te kiezen.
9. Onderdeel 3.3 bevat geen klacht. Onderdeel 3.4 klaagt opnieuw dat het oordeel van de rechtbank over art. 6 lid 4 TOS Pro van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Zie ik het goed, dan is de door [verzoekster] aangevoerde rechtsopvatting gelijk aan de opvatting die de rechtbank aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Voor toewijzing van de klacht zie ik dan ook geen grond.
10. Ten slotte stelt [verzoekster] in onderdeel 3.5 dat zij 'dus' als minderjarige een andere nationaliteit heeft verkregen dan zij zou hebben verkregen, indien zij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS. Het oordeel dat zij niet met rechtsgevolg op grond van art. 6 lid 4 TOS Pro kon opteren voor de Nederlandse nationaliteit zou moeten falen. Uit het voorafgaande volgt dat [verzoekster] hierin niet kan worden gevolgd. Aangezien [verzoekster] in Suriname is geboren en zij op 25 november 1975 in Suriname woonde, zou zij op die datum ook bij meerderjarigheid op basis van art. 3 TOS Pro de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen en op grond van art. 2 lid 1 TOS Pro het Nederlanderschap hebben verloren. [verzoekster] heeft als minderjarige dus niet een andere nationaliteit verkregen dan zij zou hebben verkregen indien zij reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van de inwerkingtreding van de TOS. Voor [verzoekster] stond, eenmaal meerderjarig geworden, de optiemogelijkheid van art. 6 lid 4 TOS Pro derhalve niet open.
11. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie HR 26 juni 1987, LJN: AG5635, NJ 1988/135 m.nt. GRdG; HR 29 oktober 1999, LJN: AA3798, NJ 2003/601 en uitvoerig H.A. Ahmad Ali, De Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname, 1998, blz. 175-179. Zie ook de conclusie van A-G Strikwerda vóór HR 22 december 2009, LJN: BK3572, RvdW 2010/53 en HR 7 mei 2010, LJN: BM3409, RvdW 2010/625 waarin de Hoge Raad de zaken afdoet met toepassing van art. 81 RO Pro.