ECLI:NL:PHR:2013:BY7637

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05223
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 350 FwArt. 351 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens nieuwe schulden en niet-naleving verplichtingen

Bij vonnis van 20 februari 2012 werd een schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoeker. Op 4 september 2012 heeft de rechtbank Zutphen de regeling tussentijds beëindigd zonder verlening van schone lei, omdat verzoeker nieuwe schulden had laten ontstaan, waaronder CJIB-schulden, die hij waarschijnlijk niet zou kunnen aflossen binnen de termijn. Tevens bleek verzoeker niet in staat de verplichtingen van de regeling na te komen. Daarnaast waren feiten en omstandigheden bekend die reeds bij het verzoek bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.

Het hof Arnhem bekrachtigde dit vonnis op 5 november 2012 en voegde toe dat in hoger beroep een niet gemelde schuld aan het licht was gekomen die niet te goeder trouw was ontstaan. Gezien het preferente karakter van deze schuld en het substantiële deel dat deze uitmaakt van de totale schuldenlast, zou dit de toelating tot de regeling in de weg hebben gestaan.

Verzoeker kwam tijdig in cassatie binnen de wettelijke termijn, maar de Hoge Raad concludeert dat de aangevoerde middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Het eerste middel geeft geen aanleiding tot een ander oordeel en het tweede strandt op de informatieplicht die op verzoeker rust. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei blijft in stand.

Conclusie

12/05223
Mr. L. Timmerman
Parket: 14 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
Bij vonnis van 20 februari 2012 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [verzoeker]. Bij vonnis d.d. 4 september 2012 heeft de rechtbank Zutphen de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd zonder verlening van schone lei op de grond dat (i) [verzoeker] nieuwe schulden heeft laten ontstaan - waaronder CJIB-schulden - die hij naar verwachting niet zal kunnen inlopen voor de afloop van de schuldsaneringstermijn, (ii) [verzoeker] niet in staat is gebleken de schuldsaneringsverplichtingen naar behoren na te komen en (iii) feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek al bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. Het hof Arnhem heeft dit vonnis bij arrest d.d. 5 november 2012 bekrachtigd, waaraan het heeft toegevoegd dat in appel een schuld boven water was gekomen die ten tijde van de toelating niet was gemeld, die niet te goeder trouw was ontstaan en gelet op het preferente karakter daarvan en het feit dat deze schuld een zeer substantieel deel uitmaakt van de totale schuldenlast in elk geval aan toewijzing van het toelatingsverzoek in de weg zou hebben gestaan. Bij een op 10 november 2012 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is [verzoeker] hiervan tijdig - binnen de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen - in cassatie gekomen. Daarin worden twee cassatiemiddelen voorgedragen die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De omstandigheden die worden aangevoerd in het eerste middel, nopen niet tot een ander oordeel. Het tweede middel loopt reeds spaak op de informatieplicht die op [verzoeker] rust. Ik concludeer dan ook tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G