ECLI:NL:PHR:2013:BY7753
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarigen
In deze zaak staat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter centraal bij een geschil over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarige kinderen. De ouders, woonachtig in Duitsland, betwisten dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat zij kort voor het indienen van het verzoekschrift met de kinderen naar Duitsland zouden zijn verhuisd.
De feiten tonen aan dat de kinderen op het moment van aanhangigmaking van de procedure op 25 november 2011 hun gewone verblijfplaats nog in Nederland hadden. Dit oordeel is gebaseerd op een verordeningsautonome uitleg van het begrip 'gewone verblijfplaats' zoals bedoeld in art. 8 lid 1 Brussel Pro II-bis, waarbij integratie in een sociale en familiale omgeving centraal staat. Diverse factoren zoals uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie en inschrijving in Duitsland zijn niet doorslaggevend, vooral omdat de ouders onvoldoende bewijs leverden van een weloverwogen emigratie.
De kinderrechter en het hof bevestigden de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en lieten de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in stand. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en dat de ouders in cassatie niet slagen in hun betoog. Ook het bezwaar dat de uithuisplaatsing onrechtmatig zou zijn uitgevoerd faalt, omdat de tenuitvoerlegging in Duitsland volgens het Duitse procesrecht is verlopen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om de zaak te behandelen, waarbij de belangen van de minderjarigen en de veiligheidssituatie doorslaggevend zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en verwerpt het cassatieberoep tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.