ECLI:NL:PHR:2013:BY7926
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geneeskundig onderzoek bij voortzetting inbewaringstelling Wet Bopz
In deze zaak staat de vraag centraal of het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 21 lid 3 van Pro de Wet Bopz, correct is uitgevoerd bij de machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling. De betrokkene stelde dat het onderzoek niet had plaatsgevonden omdat de psychiater hem niet persoonlijk had kunnen spreken, aangezien hij in slaap was door medicatie. De Hoge Raad oordeelt dat de wet ruimte biedt voor situaties waarin het onderzoek redelijkerwijs niet kon worden verricht.
De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van een uitzonderingssituatie waarin de psychiater niet persoonlijk hoefde te spreken met de betrokkene, omdat de psychiater al had gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht kon worden. De Hoge Raad bevestigt dat dit oordeel niet zonder feitenonderzoek kan worden herzien in cassatie en dat het beroep daarom niet tot cassatie kan leiden.
Verder overweegt de Hoge Raad dat het wettelijk rechtsmiddelenverbod tegen beslissingen tot voortzetting van inbewaringstelling in uitzonderlijke gevallen kan worden doorbroken, zoals wanneer de geneeskundige verklaring niet voldoet aan de eisen van persoonlijk onderzoek. In dit geval is echter aangenomen dat het onderzoek adequaat was uitgevoerd.
De conclusie van de Procureur-Generaal is derhalve dat het cassatieberoep wordt verworpen en dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling terecht is verleend. De zaak betreft een belangrijke toetsing van de procedurele waarborgen bij vrijheidsbeneming op grond van de Wet Bopz en de eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daaraan stelt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling blijft in stand.