ECLI:NL:PHR:2013:BY8365

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02392
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 341.a.1° SrArt. 3:115.c BWArt. 359, zesde lid, SvArt. 80a RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over onttrekking aan de boedel bij faillissementsfraude en strafmotivering

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch inzake faillissementsfraude, specifiek onttrekking aan de boedel zoals bedoeld in art. 341.a.1° Sr. De verdachte en medeverdachten werden verweten in 2003 een fictieve koop/verkoop van WKK-machines te hebben gedaan, terwijl de daadwerkelijke overdracht pas in 2005 plaatsvond. Het hof stelde vast dat hierdoor de curator benadeeld werd.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van onttrekking aan de boedel omdat de machines zich bij derden bevonden en niet feitelijk waren verplaatst. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat onttrekking aan de boedel ook kan bestaan zonder feitelijke verplaatsing, zolang de goederen buiten bereik en beheer van de curator worden gehouden.

Daarnaast werd het middel dat klaagde over onvoldoende motivering van de strafoplegging verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende redenen had gegeven, in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv, en dat de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter gerespecteerd moest worden.

De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. De zaak draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent faillissementsfraude en de uitleg van onttrekking aan de boedel.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.

Conclusie

Nr. 12/02392
Mr. Vegter
Zitting: 20 november 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 april 2012. Er is tijdig een schriftuur houdende twee middelen van cassatie ingekomen.
2. Het tweede middel klaagt dat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Anders dan de steller van het middel wil, voldoet de motivering wel aan de eis der wet, in het bijzonder aan art. 359, zesde lid, Sv. Voor het overige geeft het middel blijk van een miskenning van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de straftoemeting. Toepassing van artikel 80a RO ligt voor wat betreft het tweede middel daarmee zonder meer voor de hand. (2)
3. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou volgen dat goederen zijn onttrokken aan de boedel. Ik leg afdoening met toepassing van artikel 80a RO hier vooral aan de Raad voor om op deze wijze meer duidelijkheid te scheppen over de toepasselijkheid van de genoemde bepaling. Daarom bespreek ik het middel uitvoeriger dan bij toepassing van artikel 80a RO verwacht kan worden. Opmerking verdient dat over de in het middel aangesneden problematiek niet veel jurisprudentie bestaat en dat met inhoudelijke bespreking van het middel dus mogelijk de rechtsontwikkeling is gediend. Daar tegenover staat echter dat het middel berust op een opvatting die eisen stelt die het recht niet kent als bedoeld in rechtsoverweging 2.3.2 van HR 11 september 2012, LJN BX0146.
4. De tenlastelegging van feit 2 is toegesneden op art. 341, aanhef onder a sub 1º, Sr. Die bepaling beoogt onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, te treffen waardoor hetgeen rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden.(3) Goederen kunnen zowel rechtens als feitelijk aan de boedel worden onttrokken.(4)
5. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten hebben doen voorkomen dat in 2003 de koop/verkoop en overdracht van zogenaamde WKK-machines heeft plaatsgevonden - terwijl deze overeenkomst daadwerkelijk in januari 2005 tot stand is gekomen - en dit ook als zodanig in de boekhouding hebben verwerkt. Het middel gaat (schriftuur onderdeel 2.6) ervan uit dat van feitelijke onttrekking van de machines geen sprake kan zijn geweest. Omdat de machines zich bij derden bevonden en dit na de (vermeende) overdracht nog steeds deden, hebben de machines geen verplaatsing ondergaan en is er dus geen sprake van onttrekking aan de boedel, aldus de toelichting op het middel. Daarmee wordt een eis aan onttrekking aan de boedel (te weten feitelijke verplaatsing) gesteld die het recht niet kent. Het middel dat uitgaat van een te beperkte uitleg van (feitelijke) onttrekking aan de boedel, kan mitsdien niet tot cassatie leiden.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak, waarin reeds op 6 november 2012 een aan deze conclusie gelijkluidend standpunt is bepaald, hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (12/03523) waarin eveneens heden wordt geconcludeerd.
2 Het gaat m.i. namelijk nogal ver om hier (uitvoerig) uiteen te zetten dat en waarom de LOVS-oriëntatiepunten ook zien op faillissementsfraude en voorts dat het Hof het benadelingsbedrag inderdaad op 800.000 euro kon stellen, ook al is dat uiteindelijk niet daadwerkelijk aan de boedel onttrokken. Er is immers wel sprake van een voltooid delict en is het niet aan verdachte te danken dat het geld behouden is gebleven voor schuldeisers.
3 HR 26 februari 2008, LJN BC0813, NJ 2008/148.
4 C.M. Hilverda, Faillissementsfraude, 2009, p. 257.