ECLI:NL:PHR:2013:BY8365
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over onttrekking aan de boedel bij faillissementsfraude en strafmotivering
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch inzake faillissementsfraude, specifiek onttrekking aan de boedel zoals bedoeld in art. 341.a.1° Sr. De verdachte en medeverdachten werden verweten in 2003 een fictieve koop/verkoop van WKK-machines te hebben gedaan, terwijl de daadwerkelijke overdracht pas in 2005 plaatsvond. Het hof stelde vast dat hierdoor de curator benadeeld werd.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van onttrekking aan de boedel omdat de machines zich bij derden bevonden en niet feitelijk waren verplaatst. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat onttrekking aan de boedel ook kan bestaan zonder feitelijke verplaatsing, zolang de goederen buiten bereik en beheer van de curator worden gehouden.
Daarnaast werd het middel dat klaagde over onvoldoende motivering van de strafoplegging verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende redenen had gegeven, in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv, en dat de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter gerespecteerd moest worden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. De zaak draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent faillissementsfraude en de uitleg van onttrekking aan de boedel.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.