ECLI:NL:PHR:2013:BY8591

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05346
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 FwArt. 292 lid 6 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep in schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

De verzoeker heeft bij verzoekschrift van 7 mei 2012 toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) gevraagd. De rechtbank 's-Gravenhage wees dit verzoek bij vonnis van 25 juni 2012 af. Dit vonnis ontbreekt in de cassatiestukken. Het hof 's-Gravenhage bekrachtigde het vonnis bij arrest van 13 november 2012. De verzoeker kwam hiertegen tijdig in cassatie.

In cassatie klaagt de verzoeker over het oordeel van het hof dat hij niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en/of het onbetaald laten van een belangrijk deel van zijn schulden. De verzoeker stelt dat het hof een onjuiste lezing van het arrest en een onjuist begrip van de vereiste goede trouw hanteert.

Het hof oordeelde dat schulden niet van karakter veranderen wanneer een derde de CJIB-schulden voldoet en er een nieuwe schuld aan die derde ontstaat. De verzoeker zou niet buiten zijn schuld in een uitzichtloze financiële positie zijn geraakt. De door de verzoeker aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel.

De Procureur-Generaal concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 80a lid 1 RO vanwege het ontbreken van goede trouw bij de verzoeker.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan goede trouw van de verzoeker.

Conclusie

12/05346
Mr. L. Timmerman
Parket: 21 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
Bij verzoekschrift van 7 mei 2012 heeft [verzoeker] om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 25 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen. Het vonnis ontbreekt tussen de in cassatie gefourneerde stukken. Het hof 's-Gravenhage heeft het vonnis bij arrest van 13 november 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan bij verzoekschrift van 20 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen. In cassatie klaagt [verzoeker] over 's hofs oordeel dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van zijn schulden. De onderdelen gaan uit van een onjuiste lezing van het arrest alsmede van een onjuist begrip van de vereiste goede trouw. Het hof heeft terecht geoordeeld - in mijn woorden - dat schulden niet van "kleur" verschieten (van "niet-te-goeder-trouw" naar "te-goeder-trouw"), in het geval dat CJIB-schulden door een derde aan het CJIB worden voldaan waarbij een nieuwe schuld aan die derde ontstaat. Met name onderdeel II miskent dat de grond waarin die nieuwe schuld wortelt, geen andere is dan die waarin de CJIB-schulden ontstonden. Onderdeel III miskent dat [verzoeker] naar het oordeel van het hof juist niet "buiten zijn schuld in een uitzichtloze financiële positie" is geraakt. De omstandigheden die door de onderdelen worden aangevoerd, nopen - voor zover ze al hout snijden - niet tot een ander oordeel.
Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G