ECLI:NL:PHR:2013:BY8592

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/04937
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 285 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 2 onder d FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende stabiliteit

De zaak betreft een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van een schuldenaar met een totale schuldenlast van circa €104.000. De rechtbank Rotterdam wees het verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat de schuldenaar te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en dat zij haar verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen.

De schulden betroffen onder meer kinderopvangkosten, belastingschulden, huurachterstanden en abonnementen die niet strikt noodzakelijk waren. De rechtbank en het hof oordeelden dat deze schulden niet te goeder trouw waren ontstaan, mede omdat de kinderopvangtoeslag niet voor de opvangkosten was gebruikt, de schulden na een woningontruiming waren ontstaan en sprake was van overbesteding. De schuldenaar voerde aan dat psychosociale problemen en haar ex-partner een rol speelden, maar dit werd onvoldoende onderbouwd met medische verklaringen.

Het hof bekrachtigde het vonnis en oordeelde dat de positieve ontwikkelingen in de situatie van de schuldenaar nog te recent waren om van een bestendige en stabiele situatie te spreken. De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk is en wijst het cassatieberoep af. De schuldenaar wordt aangemoedigd een nieuw verzoek in te dienen zodra zij meer inzicht kan geven in het ontstaan van de schulden en haar situatie stabieler is.

De zaak benadrukt het belang van goede trouw bij het ontstaan van schulden en het aantonen van voldoende stabiliteit en sociaal vangnet voor toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming van verplichtingen.

Conclusie

12/04937
Mr. L. Timmerman
Parket: 14 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
verzoekster tot cassatie
1. [Verzoekster] dient op 23 januari 2012 bij de rechtbank Rotterdam een verzoek in om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex art. 285 Fw Pro is sprake van een totale schuldenlast van afgerond € 104.000,-.
2.1. De rechtbank wijst bij vonnis van 23 mei 2012 het verzoek af op de grond dat onvoldoende aannemelijk is (1) dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en (2) dat zij haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
2.2. De rechtbank oordeelt (ad (1)) dat een aantal schulden "aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg" staan, te weten:
(i) een drietal schulden van in totaal € 21.136,44 aan kinderopvangcentra. [Verzoekster] heeft ter zitting verklaard met de door haar ontvangen kinderopvangtoeslag andere zaken betaald te hebben, zonder aan te (kunnen) geven waaraan de door haar ontvangen toeslag is uitgegeven. De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan. De kosten van de kinderopvang werden (grotendeels) gedekt door de kinderopvangtoeslag. Het viel derhalve onder [verzoekster]'s verantwoordelijkheid om daarmee deze kosten te voldoen.
(ii) een tweetal schulden aan de Belastingdienst van in totaal € 14.425,00. [Verzoekster] heeft ter zitting slechts kunnen verklaren dat het waarschijnlijk teveel ontvangen kinderopvangtoeslag betreft. Het lag echter op haar weg om een nadere toelichting te geven op de belastingschuld, gezien de hoogte hiervan en de aansporing daartoe in de bijlage bij de oproepbrief voor de mondelinge behandeling. Nu zij dit heeft nagelaten, heeft zij niet voldoende aannemelijk gemaakt dat bovengenoemde belastingschuld te goeder trouw is ontstaan;
(iii) een drietal huurschulden van in totaal ruim € 19.000. De rechtbank is van oordeel dat de schulden die zijn ontstaan na de ontruiming van haar woning in 2006 wegens huurachterstand niet te goeder trouw zijn ontstaan. [Verzoekster] wist nadien wat de consequenties waren van het onbetaald laten van de vaste lasten. Zij had haar verantwoordelijkheid moeten nemen en maatregelen moeten treffen ter voorkoming van het ontstaan van verdere schulden. Gezien het vorenstaande heeft zij echter wederom nagelaten haar uitgaven op haar inkomsten af te stemmen en zorg te dragen voor de betaling van de vaste lasten;
(iv) schulden voortvloeiend uit abonnementen bij Tele2, KPN, Ben, RET en Fitness First ten belope van € 3.814,91. Het aangaan van deze abonnementen was niet strikt noodzakelijk en [verzoekster] wist op het moment van aangaan, althans had redelijkerwijs moeten begrijpen, dat zij gezien haar inkomen en de reeds bestaande schuldenlast niet in staat zou zijn om deze te financieren. De schulden die hieruit zijn voortgevloeid, ontstaan als gevolg van overbesteding, zijn dan ook eveneens niet te goeder trouw ontstaan.
2.3 De rechtbank overweegt voorts dat er geen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn geworden die toelating rechtvaardigen. Het feit dat [verzoekster] een fulltime dienstbetrekking heeft, weegt op zichzelf niet op tegen de verwijtbaarheid ten aanzien van het laten ontstaan de schulden.
2.4 Daarnaast overweegt de rechtbank (ad (2)) dat het feit dat [verzoekster] kampt met psychosociale problemen, van negatieve invloed kan zijn op het naar behoren kunnen nakomen van de schuldsaneringsverplichtingen. De rechtbank haalt daarbij art. 5.4.3 van de "Landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling" (bijlage IV bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken) aan, dat luidt:
"Toelating tot de schuldsaneringsregeling ingeval van psychosociale problematiek
Een verzoeker met psychosociale problemen wordt in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is.
Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie."
2.5 De rechtbank overweegt dat uit de art. 285 Fw Pro-verklaring en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] veel last heeft van stress en depressiviteit. Gebleken is ook dat zij zich in november 2010 eerder heeft aangemeld bij schuldhulpverlening, maar dat zij door persoonlijke problemen de verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Om te kunnen beoordelen in hoeverre de problemen van [verzoekster] inmiddels beheersbaar zijn, heeft de rechtbank in de bijlage bij de oproepbrief voor de mondelinge behandeling verzocht een verklaring van een psycholoog of maatschappelijk werker mee te nemen naar de zitting. [Verzoekster] heeft ter zitting bevestigd onder behandeling te zijn bij een psycholoog. Ze heeft evenwel nagelaten een verklaring van de psycholoog mee te nemen. Bovendien is ter zitting gebleken dat onvoldoende sociaal vangnet aanwezig is. [Verzoekster] heeft namelijk verklaard dat niemand weet van haar situatie. Gelet hierop bestaat er bij de rechtbank gegronde vrees dat zij tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling haar uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
3.1. Bij arrest van 16 oktober 2012 heeft het hof 's-Gravenhage dit vonnis bekrachtigd. [Verzoekster] is hiervan tijdig(1) in cassatie gekomen. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden voorafgaand aan het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling.
3.2. In rov. 5.1 van het bestreden arrest formuleert het hof de - in cassatie niet bestreden - maatstaf voor de beoordeling van de goede trouw:
"5.1 Beoordeeld moet worden of voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke."
3.3. "Met inachtneming van dit criterium" oordeelt het hof vervolgens in rov. 5.2 dat kort gezegd de goede trouw - in het bijzonder wat de schulden ter zake van de kinderopvang, de huur en de abonnementen betreft - onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het hof maakt het oordeel van de rechtbank tot het zijne en voegt daar nog het volgende aan toe:
"5 3. [Verzoekster] heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de ontvangen kinderopvangtoeslag heeft gebruikt om te overleven door het ene gat met het andere te dichten maar dat sprake is van een positieve wending, doordat deze toeslag nu direct wordt overgemaakt naar de kinderopvang. Verder heeft zij aangevoerd dat de financiële problemen ontstaan zijn door toedoen van haar ex-partner, met wie zij in 2006 is gaan samenwonen. Deze partner had de huurwoning geregeld. [Verzoekster] was de hoofdkostwinner en werkte fulltime, waardoor zij geen tijd had om zich bezig te houden met de financiële administratie. Zij liet die administratie aan haar partner over, waarbij zij veronderstelde dat haar partner de vaste lasten betaalde hetgeen niet het geval bleek. In die tijd was [verzoekster] hoogzwanger, emotioneel, depressief en had zij totaal geen financieel overzicht. Zij was mentaal niet in staat om voor zichzelf op te komen en de juiste keuzes te maken. [Verzoekster] meent dat het ontstaan van de schulden daarom niet toerekenbaar is. In de periode 2009/2010 heeft [verzoekster] de relatie met haar partner verbroken en hem het huis uitgezet. Zij tracht nu haar leven weer op orde te krijgen; haar tijdelijke baan van 38 uur per week is al drie maal verlengd en de kans op een vaste aanstelling per april 2013 is zeer groot. Tot slot is er thans wel een voldoende sociaal vangnet.
5.4. In de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om haar het ontstaan van de aanzienlijke schuldenlast van iets meer dan € 104.000,- niet toe te rekenen. Wat betreft de schuld aan de kinderopvang geldt dat sprake is van een schuld die zij niet te goeder trouw onbetaald heeft gelaten doordat de kinderopvangtoeslag niet is aangewend voor de betaling van de kinderopvang, maar besteed is aan andere uitgaven. Dat sprake was van een noodsituatie in de ter zake relevante periode is het hof niet gebleken. Ten tijde van het samenwonen met haar toenmalige partner was het op orde houden van de financiën en het tijdig betalen van de vaste lasten een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Daar komt bij dat [verzoekster] al in een vroeg stadium - in december 2006 - werd geconfronteerd met een huurachterstand bij Patrimoniums Woningstichting, die geleid heeft tot een woningontruiming en zij vervolgens kennelijk geen stappen heeft ondernomen om haar uitgaven af te stemmen op haar inkomsten. Daarbij moet zij in een vroeg stadium geweten hebben dat haar partner geen inkomsten had en de financiën niet naar behoren beheerde. Niettemin heeft zij de financiële verwevenheid met hem laten voortbestaan en de relatie pas in 2009 of 2010 verbroken. De stelling dat zij mentaal niet in staat was om voor zichzelf op te komen, is in het geheel niet onderbouwd met stukken als (medische) verklaringen van hulpverleners.
5.5. [Verzoekster] heeft nog aangevoerd dat zij bij de Belastingdienst navraag heeft gedaan naar de openstaande vorderingen, maar daarop nog geen reactie heeft ontvangen. De onduidelijkheid over de belastingschulden duurt derhalve voort. Verder heeft zij aangevoerd dat de door haar afgesloten abonnementen noodzakelijk waren. Dat betoog wordt verworpen. Er is sprake van overbesteding. Gelet op haar reeds omvangrijke schuldenlast waren deze uitgaven onverantwoord; voor haar bereikbaarheid had ook volstaan kunnen worden met prepaid telefoneren.
5.6. [Verzoekster] heeft nog betoogd dat namens verschillende schuldeisers beslag is gelegd op haar loon en toeslagen en dat dit er voor zorgt dat haar budget onder de beslagvrije voet valt waardoor haar schulden oplopen. Hoewel toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling dit kan doorbreken, vormt dit op zichzelf geen reden om [verzoekster] toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Als er sprake is van miskenning van de beslagvrije voet of beslagverboden zal [verzoekster] - zo nodig met hulp van haar raadsvrouw - de betrokken deurwaarderskantoren of de derden onder wie het beslag is gelegd daarop moeten wijzen en verzoeken de wettelijke beslagverboden of beslagvrije voet in acht te nemen.
6. [Verzoekster] heeft geen uitdrukkelijk beroep gedaan op de "hardheidsclausule" van artikel 288 lid 3 Fw Pro. In de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet het hof ook geen aanleiding artikel 288 lid 3 ambtshalve Pro toe te passen. In hoger beroep is niet voldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend geweest zijn voor het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden inmiddels volledig onder controle heeft gekregen en dat sprake is van een bestendige stabiele situatie. Niettemin constateert het hof positieve ontwikkelingen. [Verzoekster] tracht sinds het vertrek van haar ex-partner haar leven weer op orde te brengen; zij heeft een baan van 38 uur per week en heeft inmiddels met succes een budgetcursus gevolgd en staat sinds mei 2012 onder behandeling van een psycholoog, die melding gemaakt heeft van een gunstige prognose voor de geconstateerde lichte depressie. Voorts heeft zij de HBO opleiding Hotelmanagement gevolgd en kan [verzoekster] terugvallen op hulp van twee vriendinnen en haar werkgever, die op de hoogte zijn van haar situatie. Die positieve ontwikkelingen zijn nog van relatief recente datum. Als deze positieve wending bestendig blijkt te zijn zal een nieuw toelatingsverzoek wellicht meer kans van slagen maken, waarbij dan - gelet op hetgeen hiervoor overwogen is - inzicht gegeven dient te worden in het ontstaan van de belastingschulden en de besteding van de kinderopvangtoeslag.
7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd."
4. Het middel miskent dat de afwijzing van het verzoek niet alleen is gebaseerd op het oordeel dat, kort gezegd, de goede trouw niet aannemelijk is geworden, maar ook op het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoekster] de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen. In de toelichting wordt onder 2. wel aangevoerd dat voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] aan de verplichtingen zal kunnen voldoen, maar voor zover daarin al een klacht kan worden gelezen, wordt die in het geheel niet toegelicht. Het cassatieberoep loopt bij gebrek aan belang reeds stuk.
5. Ten overvloede nog het volgende. In cassatie wordt ten eerste geklaagd dat [verzoekster] wel aannemelijk zou hebben gemaakt dat voldaan is aan het vereiste van de goede trouw en ten tweede dat het hof de hardheidsclausule had moeten toepassen.
6. Met betrekking tot het vereiste van de goede trouw voert het middel aan dat de aard van de schulden "daarvoor geen maatstaf [kan] zijn". Aangevoerd wordt dat de in casu ontstane schuldenlast "buiten proportioneel" is en "niet te verklaren". Als gezegd bestrijdt het onderdeel (terecht) niet de maatstaf die het hof in rov. 5.1 formuleert voor de beoordeling van de goede trouw. Het hof overweegt dat de rechter rekening kan houden met alle omstandigheden van het geval, waarbij het hof als voorbeeld onder meer "de aard en omvang van de vorderingen" noemt. Anders dan het middel aanvoert, kunnen aard en omvang wel degelijk relevant zijn voor de beantwoording van de vraag naar de (al dan niet aannemelijk gemaakte) goede trouw.(2) Wat betreft de aard van de vorderingen, wijs ik ter illustratie op de CJIB schulden die naar hun aard aan het aannemen van goede trouw in de weg staan. De stelling in het cassatiemiddel dat de schuldenlast "buiten proportioneel" is, is tegen deze achtergrond juist een omstandigheid die tegen het aannemen van de goede trouw pleit.
7. Voorts wordt aangevoerd dat het hof de hardheidsclausule had moeten toepassen. Gelet op een aantal in het middel opgesomde feiten kan gesteld worden, zo voert het middel aan, dat [verzoekster] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen.
8. De rechter heeft wat betreft de toepassing van art. 288 lid 3 Fw Pro een discretionaire bevoegdheid. Anders dan het middel suggereert, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat de schuldenlast (alleen) te wijten is aan de ex-partner van [verzoekster] (rov. 5.4). Het hof gaat er vanuit dat (in elk geval een deel van) de schulden het gevolg zijn van overbesteding (rov. 5.5). De omstandigheden die van de zijde van [verzoekster] worden aangevoerd, heeft het hof in rov. 6 uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken. Het hof spreekt zijn waardering uit voor de positieve ontwikkelingen in het leven van [verzoekster], maar acht die van te recente datum om te kunnen spreken van bestendigheid. Het hof overweegt dat een toelatingsverzoek op een later moment wellicht meer kans van slagen zal maken, waarbij dan ook inzicht gegeven dient te worden in het ontstaan van de belastingschulden en de besteding van de kinderopvangtoeslag. Dat oordeel van het hof is, zeker gelet op de voornoemde discretionaire bevoegdheid, niet onjuist, noch onbegrijpelijk.
9. Wellicht dat het oordeel van het hof (op basis van "het papier", waartoe ook ik beperkt ben) enigszins streng voorkomt. Ik merk echter op dat van een schuldenaar die voor toelating tot de schuldsaneringsregeling in aanmerking wil komen, tenminste verwacht mag worden dat hij (in dit geval: zij) inzicht biedt in (de oorzaak van) het ontstaan van de schulden. Indien dat inzicht niet geboden kan worden, dient daarvoor een goede reden te bestaan. Ondanks uitdrukkelijk verzoek om toelichting terzake van de besteding van de kinderopvangtoeslag en het ontstaan van de belastingschulden, heeft [verzoekster] terzake geen inzicht geboden, zonder daarvoor een goede reden aan te dragen.
10. Daarbij komt dat het [verzoekster] vrijstaat om, op het moment dat zij daar klaar voor is, een nieuw verzoek om toelating tot de schuldsanering in te dienen. Een schuldenaar die "prematuur" wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet blijkt te kunnen voldoen, is - ik wijs nog eens op art. 288 lid 2 onder Pro d Fw - ver(der) van huis.
11. Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is op 23 oktober 2012 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen, derhalve binnen de in art. 292 lid 6 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen.
2 Zie bijv. par. 2.6 van de conclusie van mijn ambtgenoot A-G Langemeijer vóór HR 31 oktober 2008, LJN BF1885, RvdW 2008, 990.