ECLI:NL:PHR:2013:BY8593

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05158
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 288 lid 1 sub c FwArt. 292 lid 6 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming verplichtingen

Verzoekers hebben bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoekers te goeder trouw waren met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Daarnaast was onvoldoende gebleken dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zouden nakomen en zich zouden inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Het gerechtshof bevestigde dit vonnis bij arrest. Verzoekers kwamen vervolgens binnen de wettelijke termijn in cassatie tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Het oordeel van het hof over de goede trouw en de nakoming van verplichtingen was feitelijk en niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad benadrukte dat het aan de schuldenaar is om aannemelijk te maken dat aan de vereisten van goede trouw en nakoming van verplichtingen wordt voldaan. De door verzoekers overgelegde stukken, waaronder bewijs van inspanningen tot het verkrijgen van werk, waren onvoldoende om het oordeel van het hof te weerleggen.

De Procureur-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waarmee de eerdere afwijzing van het verzoek tot schuldsanering definitief bleef staan.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de afwijzing van het verzoek tot schuldsaneringsregeling blijft in stand.

Conclusie

12/05158
Mr. L. Timmerman
Parket: 21 december 2012
Conclusie inzake:
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoeker 2]
verzoekers tot cassatie
(hierna tezamen: [verzoeker] c.s.)
Bij verzoekschrift van 11 april 2012 hebben [verzoeker] c.s. om toepassing van de schuldsaneringsregeling gevraagd. Bij vonnis van 11 juni 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek afgewezen op de grond dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt 1) dat [verzoeker] c.s. te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend en 2) dat [verzoeker] c.s. de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof 's-Gravenhage heeft dit vonnis bij arrest van 30 oktober 2012 bekrachtigd. [Verzoeker] c.s. zijn hiervan bij verzoekschrift van 7 november 2012 tijdig - binnen de in art. 292 lid 6 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen - in beroep gekomen. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Het oordeel omtrent de goede trouw - dat met middel I wordt aangevallen - is feitelijk en is in casu niet onbegrijpelijk. De omstandigheden die worden aangevoerd, nopen niet tot een ander oordeel, waarbij ik opmerk dat de CJIB-boetes niet aan 's hofs oordeel ten grondslag liggen. Het oordeel dat [verzoeker] c.s. niet aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zullen voldoen - waarover middel II klaagt -, is eveneens feitelijk en niet onbegrijpelijk. Ik verwijs daarbij kortheidshalve naar rov. 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van vorige week in zaak 12/03219 (LJN: BY6143).
Overigens is het aan de schuldenaar om aannemelijk te maken dat aan art. 288 lid 1 sub c Fw Pro wordt voldaan. Het was dan ook aan [verzoeker] c.s. om een en ander uit eigen beweging aan te dragen. Waar middel III aanvoert dat [verzoeker] c.s. op 17 oktober 2012 stukken heeft overgelegd waaruit zou blijken dat zij "aantoonbaar inspanningen hebben verricht tot het verkrijgen van werk", merk ik op dat 's hofs oordeel in het licht van de stukken die ik in het dossier aantrof, onjuist noch onbegrijpelijk is.
Ik concludeer tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G