ECLI:NL:PHR:2013:BY8728
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over opzegging aannemingsovereenkomst en verrekening besparingen
In deze zaak gaat het om een geschil tussen een opdrachtgever en een aannemer over de beëindiging van een overeenkomst tot aanneming van werk en de financiële afwikkeling daarvan. De opdrachtgever zegde de overeenkomst op wegens vermeende wanprestatie van de aannemer, die vervolgens betaling van het restant van de aanneemsom vorderde.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke regeling van art. 7:764 BW Pro, waarin is bepaald dat de opdrachtgever de prijs moet betalen verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. De Hoge Raad benadrukt dat de besparingen niet alleen betrekking hebben op materiaalkosten, maar ook op arbeidskosten en andere onvermijdelijke kosten. Daarbij rust de bewijslast van de besparingen op de opdrachtgever, terwijl de aannemer een mededelingsplicht heeft.
Het hof had geoordeeld dat de aannemer de vrijgekomen tijd deels met ander werk had kunnen invullen, waardoor niet alle arbeidsuren als besparing konden worden aangemerkt. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel vanwege onvoldoende motivering en onduidelijkheid over de feitelijke invulling van de besparingen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat de regeling van art. 7:764 BW Pro ruime beoordelingsvrijheid aan de rechter geeft om tot een billijke afwikkeling te komen, waarbij de aannemer in beginsel redelijke pogingen moet doen om kosten te beperken door vervangende opdrachten te verwerven. De zaak wordt voor verdere beoordeling terugverwezen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de besparingen en betaling.