ECLI:NL:PHR:2013:BY9714

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02872
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 2 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf voor deelname aan een criminele organisatie en diverse overtredingen van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. De Hoge Raad vernietigde dit arrest deels en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Dit hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor enkele feiten en legde een gevangenisstraf van één jaar op voor andere feiten.

Verdachte stelde beroep in cassatie in, vertegenwoordigd door advocaten uit Amsterdam. De aanzegging van het cassatieberoep werd op geldige wijze betekend, maar binnen de wettelijke termijn van twee maanden werd geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend namens verdachte.

Daarom oordeelt de Hoge Raad dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 437 lid 2 Sv Pro, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van schriftelijke middelen.

Conclusie

Nr. 11/02872
Mr. Machielse
Zitting 4 december 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 25 september 2001 voor 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. en 3. telkens opleverende "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van Wet wapens en munitie, en het feit begaan door het dragen van een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 5. "het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Op 14 januari 2003 heeft de Hoge Raad dit arrest vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen gegeven ten aanzien van de onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging en de zaak verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, zitting houdende te 's-Gravenhage, heeft vervolgens op 2 december 2010 het openbaar ministerie in de vervolging voor de feiten 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard en heeft voor de feiten 4 en 5 een gevangenisstraf voor de duur van een jaar opgelegd.
2. Namens verdachte heeft mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft zich als verdachtes raadsman in cassatie gesteld.(2)
3. De aanzegging van art. 435 lid 1 Sv Pro is op 22 juli 2011 niet in persoon doch op geldige wijze betekend. Binnen de in art. 437 lid 2 Sv Pro genoemde termijn van twee maanden is in de zaak van verdachte geen schriftuur ontvangen. Het cassatieberoep is derhalve niet-ontvankelijk.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (11/00014), waarin ik vandaag ook concludeer.
2 De stelbrief is op 14 mei 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.