ECLI:NL:PHR:2013:BZ0176
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van dividendbelastingheffing voor niet-inwoners in relatie tot het vrije kapitaalverkeer en box 3 heffing
De belanghebbende, woonachtig in België, hield in 2007 aandelen in Nederlandse beursvennootschappen waarop dividend werd uitgekeerd en Nederlandse dividendbelasting werd ingehouden. Hij deed aangifte zonder verrekening van deze dividendbelasting en verzocht later om teruggave van een deel daarvan. De Inspecteur wees dit af, waarna de Rechtbank Breda oordeelde dat de belanghebbende de juiste rechtsingang had gekozen, maar dat de niet-teruggave van dividendbelasting niet in strijd was met het vrije kapitaalverkeer volgens art. 63 VwEU Pro.
De Procureur-Generaal stelde dat de vergelijking voor de beoordeling van discriminatie niet beperkt kan blijven tot de dividendbelasting, maar de gecombineerde belastingdruk van dividendbelasting en inkomstenbelasting (box 3) voor binnenlandse aandeelhouders moet omvatten. De belanghebbende kon kiezen voor behandeling als niet-inwoner (dividendbelasting) of als inwoner (box 3 heffing), maar niet voor een arbitraire combinatie daarvan. De Rechtbank heeft terecht de belastingdruk van de belanghebbende vergeleken met de box 3 heffing van een vergelijkbare binnenlandse aandeelhouder zonder heffingsvrij vermogen of schulden.
De Hoge Raad bevestigt dat de belanghebbende ontvankelijk was in zijn bezwaar en dat de Nederlandse dividendbelastingheffing niet leidt tot een hogere effectieve belastingdruk dan die van binnenlandse aandeelhouders. De verschillende grondslagen en tarieven tussen inwoners en niet-inwoners zijn toegestaan zolang de effectieve druk niet zwaarder is voor niet-inwoners. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de niet-teruggave van dividendbelasting aan de niet-inwoner is niet in strijd met het vrije kapitaalverkeer.