ECLI:NL:PHR:2013:BZ0245
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Benoeming bijzondere curator voor minderjarige in procedures over uithuisplaatsing
Deze zaak betreft de benoeming van een bijzondere curator voor een minderjarige, de dochter, in procedures over haar uithuisplaatsing. De dochter was onder toezicht gesteld en er was een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verleend en verlengd. De moeder stelde hoger beroep in tegen deze besluiten. De dochter, toen 14 jaar, werd vertegenwoordigd door een bijzondere curator die door het hof werd benoemd voor de procedures in hoger beroep.
De dochter stelde cassatieberoep in tegen de beperking van de benoeming van de bijzondere curator tot de procedures in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de wet art. 1:250 BW Pro niet voorschrijft dat een benoeming onbegrensd moet zijn en dat het hof de taak van de bijzondere curator passend heeft omschreven. De beperking tot de aanhangige procedures in hoger beroep was niet onbegrijpelijk en de bijzondere curator had voldoende ruimte om de belangen van de dochter te behartigen.
Verder werd bevestigd dat een minderjarige in beginsel niet zelfstandig in rechte kan optreden, maar dat er uitzonderingen zijn. De minderjarige kan zich laten vertegenwoordigen door een wettelijke vertegenwoordiger of een bijzondere curator. In cassatie kan de minderjarige zelf als procespartij optreden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtspraak omtrent de benoeming en taakomschrijving van bijzondere curatoren in familierechtelijke procedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de benoeming van de bijzondere curator beperkt tot de procedures in hoger beroep is niet onjuist.