ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in erfrechtelijke verdeling nalatenschap
In deze zaak stond de verdeling van een nalatenschap centraal, waarbij eiser tot cassatie vorderde dat schenkingen en een testament van de erflater nietig of vernietigd zouden worden. Het hof Amsterdam had eerder een tussenvonnis gewezen en een eindarrest uitgebracht, waarbij het tussentijdse beroep van eiser niet-ontvankelijk werd verklaard omdat reeds eerder tussentijds beroep was ingesteld en het hof dit tussenvonnis had bekrachtigd.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste cassatieklacht faalde omdat deze onvoldoende duidelijkheid bood over de aangevochten producties en hun relevantie. Ook de tweede en derde klachten voldeden niet aan de vereisten van voldoende bepaaldheid en precisie zoals gesteld in art. 407 lid 2 Rv Pro. De klachten waren vaag en boden geen concrete feiten of omstandigheden ter onderbouwing.
Gezien deze tekortkomingen en het feit dat de klachten niet tot cassatie konden leiden, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO. Hiermee werd de uitspraak van het hof in stand gelaten, waarmee de eerdere tussentijdse beroepen en het eindarrest bevestigd werden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bepaaldheid van de klachten en eerdere tussentijdse beroepen.