ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/04737
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in erfrechtelijke verdeling nalatenschap

In deze zaak stond de verdeling van een nalatenschap centraal, waarbij eiser tot cassatie vorderde dat schenkingen en een testament van de erflater nietig of vernietigd zouden worden. Het hof Amsterdam had eerder een tussenvonnis gewezen en een eindarrest uitgebracht, waarbij het tussentijdse beroep van eiser niet-ontvankelijk werd verklaard omdat reeds eerder tussentijds beroep was ingesteld en het hof dit tussenvonnis had bekrachtigd.

De Hoge Raad oordeelde dat de eerste cassatieklacht faalde omdat deze onvoldoende duidelijkheid bood over de aangevochten producties en hun relevantie. Ook de tweede en derde klachten voldeden niet aan de vereisten van voldoende bepaaldheid en precisie zoals gesteld in art. 407 lid 2 Rv Pro. De klachten waren vaag en boden geen concrete feiten of omstandigheden ter onderbouwing.

Gezien deze tekortkomingen en het feit dat de klachten niet tot cassatie konden leiden, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a lid 1 RO. Hiermee werd de uitspraak van het hof in stand gelaten, waarmee de eerdere tussentijdse beroepen en het eindarrest bevestigd werden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bepaaldheid van de klachten en eerdere tussentijdse beroepen.

Conclusie

12/04737
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 14 december 2012
Conclusie inzake art. 80a RO
in de zaak van
[Eiser]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerster 2]
1. Eiser tot cassatie is (tijdig) in cassatie gekomen van het tussen partijen gewezen eindarrest van het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 10 juli 2012 (in de cassatiedagvaarding wordt kennelijk abusievelijk vermeld dat het gaat om een arrest van het hof 's-Gravenhage), naar ik begrijp in samenhang met het arrest van het hof Amsterdam van 16 november 2000. Tegen verweerders in cassatie is verstek verleend. De cassatiedagvaarding bevat drie klachten. Deze klachten kunnen naar mijn oordeel klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik volsta hier met een korte toelichting.
2. De eerste cassatieklacht faalt. Daarbij stel ik voorop dat het hof in rov. 5.2 van zijn eindarrest van 10 juli 2012 terecht heeft geoordeeld dat het tweede beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank van 8 januari 1997 niet-ontvankelijk is nu door eiser tot cassatie reeds tussentijds beroep is ingesteld tegen dit tussenvonnis en het hof Amsterdam dit tussenvonnis heeft bekrachtigd in zijn arrest van 16 november 2000. De partij die tussentijds beroep instelt, is gehouden daarin al zijn bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenvonnissen aan te voeren en verliest de mogelijkheid dat bij een latere gelegenheid in appel te doen (HR 30 maart 2012, LJN BU3160, NJ 2012/582 m.nt. H.B. Krans; H.J. Snijders, Civiel Appel 2009, nr. 58).
De cassatieklacht die kennelijk is gericht tegen het arrest van 16 november 2000, waarin het hof tussentijds cassatieberoep heeft uitgesloten, voldoet niet aan de door art. 407 lid 2 Rv Pro aan een cassatiemiddel te stellen eisen van voldoende bepaaldheid en precisie (HR 5 november 2010, LJN BN6196, RvdW 2010/1328) nu het middel volstaat met de klacht dat het hof (in zijn arrest van 16 november 2000) ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden talrijke producties van eiser tot cassatie buiten beschouwing heeft gelaten. Ten overvloede merk ik op dat het hof in dat arrest (evenals de rechtbank) terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat een partij die zich op bepaalde feiten en omstandigheden wil beroepen dit op zodanige wijze behoort te doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag voor de beoordeling van de vordering wordt voorgelegd, en voor de wederpartij waarop zij haar reactie dient af te stemmen. Het volstaat aldus niet om producties in het geding te brengen zonder dat in de processtukken duidelijk wordt gemaakt wat de zin of de bedoeling van die producties is (Asser Procesrecht/Van Schaick 2, nr. 98; M.J.A.M. Ashmann, De weg naar het civiele vonnis 2011, p. 73). Ik teken ten slotte nog aan dat het cassatiemiddel niet duidelijk maakt welke specifieke producties in aanmerking genomen hadden moeten worden en wat de relevantie daarvan is voor de uitkomst in de onderhavige procedure.
3. De tweede klacht voldoet evenmin aan de door art. 407 lid 2 Rv Pro aan een cassatiemiddel te stellen eisen van voldoende bepaaldheid en precisie nu het middel volstaat met een verwijzing naar een grief (kennelijk grief 2, welke grief het hof in rov. 5.4 van zijn eindarrest verwerpt). De door het cassatiemiddel bestreden tweede alinea van rov. 5.4 betreft bovendien een overweging ten overvloede nu de eerste alinea van de rechtsoverweging het oordeel van het hof reeds draagt, zodat de klacht ook reeds moet falen bij gebrek aan belang.
4. Ook de derde klacht voldoet niet aan de door art. 407 lid 2 Rv Pro aan een cassatiemiddel te stellen eisen van voldoende bepaaldheid en precisie nu de klacht niet aangeeft welke feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou zijn aangewezen de huidige boedelnotaris te (laten) vervangen.
5. Nu de cassatieklachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden kan uw Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden