ECLI:NL:PHR:2013:BZ1064

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05891
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 285 lid 1 FwArt. 287 lid 2 FwArt. 360 FwArt. 12 FW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling

Verzoeker tot cassatie diende op 5 september 2012 bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch een verzoek in tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank verklaarde dit verzoek op 31 oktober 2012 niet-ontvankelijk omdat verzoeker niet de vereiste gegevens aanleverde zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 Faillissementswet Pro.

In hoger beroep bij het hof te 's-Hertogenbosch werd het verzoek eveneens niet-ontvankelijk verklaard, mede omdat het hoger beroep te laat was ingesteld en het verzoek niet voldeed aan de vereisten van artikel 285 Faillissementswet Pro, waaronder het ontbreken van een verklaring over het minnelijke traject en toelichting op het ontstaan van de schulden.

Verzoeker kwam met een cassatieberoep bij de Hoge Raad, maar dit werd niet ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, aangezien de niet-ontvankelijkheid op meerdere gronden berustte en de bestreden grond niet voldoende werd bestreden.

Tegen de niet-ontvankelijkheid van de rechtbank stond geen hoger beroep open, wat volgt uit artikel 360 Faillissementswet Pro. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van vereiste gegevens en te late indiening.

Conclusie

Zaaknummer: C12/05891((1))
mr. Wuisman
Roldatum: 1 februari 2013
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Op 5 september 2012 heeft verzoeker tot cassatie bij de rechtbank te 's-Hertogenbosch een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Bij beschikking van 31 oktober 2012 is verzoeker tot cassatie in dit verzoek niet ontvankelijk verklaard, omdat hij, ook nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, heeft nagelaten gegevens als bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw Pro aan te vullen.
1.2 In het bij het hof te 's-Hertogenbosch ingestelde hoger beroep is verzoeker tot cassatie bij het reeds tijdens de op 17 december 2012 gehouden mondelinge behandeling mondeling uitgesproken arrest eveneens niet ontvankelijk verklaard. Uit de nadien ter beschikking gestelde schriftelijke weergave van het arrest blijkt dat de niet-ontvankelijkheid op meer gronden rust: a. het hoger beroep is te laat ingesteld (rov. 3.2 t/m 3.5); b. het verzoek voldoet niet aan de vereisten als in artikel 285 Fw Pro gesteld, want zo blijkt niet van het doorlopen zijn van het minnelijke traject en ontbreekt een zogenaamde 285 Fw-verklaring met daarin een toelichting op het ontstaan van de schulden (rov. 3.6).
1.3 Met een op 22 december 2012 gedateerd en op die dag bij de griffie van de Hoge Raad per fax binnengekomen verzoekschrift is verzoeker tot cassatie van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Op blz. 2 van het verzoekschrift wordt in de zesde alinea opgemerkt dat het beroep is ingesteld, terwijl het op 17 december 2012 uitgesproken arrest nog niet in schriftelijke vorm beschikbaar was gesteld, en dat cassatiemiddelen voor zover mogelijk zijn geformuleerd maar onder het voorbehoud van het recht de cassatiemiddelen aan te vullen binnen redelijke termijn, nadat het arrest d.d. 17 december 2012 is ontvangen.
1.4 Op 3 januari 2013 heeft de advocaat van verzoeker tot cassatie per fax naar de griffie van de Hoge Raad een afschrift van het al op 17 december 2012 door het hof mondeling uitgesproken arrest toegezonden. Op welke dag de advocaat de beschikking over het afschrift heeft verkregen, valt uit de processtukken niet op te maken. Uit de toezending van het arrest aan de Hoge Raad op 3 januari 2013 mag echter worden afgeleid dat hij in ieder geval op die dag het afschrift van het arrest in handen had. Er is - gelet op artikel 12 FW Pro - niet binnen 8 dagen na 3 januari 2013 een aanvulling op de cassatiemiddelen bij de Hoge Raad ingediend.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Het cassatieberoep is niet ontvankelijk te achten op grond van artikel 80a RO. De aangevoerde klachten kunnen immers om de volgende reden klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Zoals hierboven in 1.2 al aangegeven, acht het hof het verzoek van verzoeker tot cassatie om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten op twee gronden niet ontvankelijk. Ieder van die gronden kan de door het hof uitgesproken niet-ontvankelijkheid zelfstandig ten volle dragen. De tweede, door het hof in rov. 3.6 weergegeven grond wordt in cassatie niet op een zodanige wijze bestreden dat deze geen stand zou kunnen houden. Wat in verband met die grond in de toelichting onder C. wordt opgemerkt, is daartoe ontoereikend. De door het hof uitgesproken niet-ontvankelijkheid blijft derhalve in ieder geval vanwege die tweede grond in stand.
2.2 Volledigheidshalve zij nog vermeld dat tegen de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid geen hogere voorziening, dus ook geen hoger beroep, openstond. Dit volgt uit artikel 360 Fw Pro en het ontbreken van een regeling in titel III van de Faillissementswet, die voorziet in de mogelijkheid van hoger beroep tegen een beslissing op de voet van artikel 287 lid 2 Fw Pro.
3 Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep uit hoofde van artikel 80a Ro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. Met de onderhavige zaak hangt nauw samen de zaak met het zaaknummer C12/05892, waarin eveneens op 1 februari 2013 een conclusie wordt genomen.