ECLI:NL:PHR:2013:BZ1320
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van artikel 37 Wet op de omzetbelasting 1968 inzake verschuldigdheid omzetbelasting bij vooruitbetaling en facturering
De zaak betreft de uitleg van artikel 37 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 en de vraag of omzetbelasting die door een vooruitbetaling in 1999 al verschuldigd was, opnieuw in 2005 op grond van een factuur kan worden nageheven. Belanghebbende verkocht onroerende zaken in 1999, die pas in 2005 werden geleverd. De koper betaalde in 1999 een bedrag inclusief omzetbelasting vooruit, maar er werd toen geen factuur uitgereikt en geen omzetbelasting voldaan. Bij levering in 2005 werd een factuur met 19% omzetbelasting uitgereikt, waarvan belanghebbende slechts een deel aangaf en betaalde. De Belastingdienst legde een naheffingsaanslag op voor het verschil.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de naheffing terecht was, omdat de factuur in 2005 een te hoog bedrag aan omzetbelasting vermeldde en artikel 37 Wet Pro OB toepassing vindt. Belanghebbende stelde in cassatie dat zij de omzetbelasting in 1999 al verschuldigd was en niet nogmaals in 2005 op grond van artikel 37. De Advocaat-Generaal concludeert dat artikel 37 zich Pro tekstueel niet uitstrekt tot belasting die al op grond van een andere bepaling is verschuldigd, maar dat een richtlijnconforme uitlegging vereist dat ook de in 2005 gefactureerde belasting verschuldigd blijft als deze ten tijde van facturering niet op grond van een andere bepaling verschuldigd was.
De conclusie is dat het Hof het recht niet heeft geschonden en dat de naheffing op grond van artikel 37 terecht Pro is opgelegd. Middelen over schending van het neutraliteitsbeginsel en onvoldoende motivering falen eveneens. De uitspraak bevestigt dat de belastingplichtige gehouden is de op een factuur vermelde omzetbelasting te voldoen, ook als deze reeds eerder door vooruitbetaling was verschuldigd, mits bij facturering geen andere wettelijke verschuldigdheid bestond.
Uitkomst: De naheffingsaanslag op grond van artikel 37 Wet OB is terecht opgelegd en het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.