ECLI:NL:PHR:2013:BZ1472

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/03270
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. V lid 1 RRWNArt. V lid 2 RRWNArt. 7 aanhef en onder 1 WNIArt. 7 aanhef en onder 5 WNI
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoeker, geboren in Nederland in 1950, verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. In 1953 emigreerde hij met zijn ouders naar de Verenigde Staten, waar zijn ouders in 1959 het Amerikaanse staatsburgerschap verkregen door naturalisatie.

Verzoeker stelde dat hij het Nederlanderschap had behouden omdat niet was gebleken dat zijn ouders vrijwillig afstand hadden gedaan van hun Nederlandse nationaliteit en dat hij zich na 1990 meerdere malen tot het Nederlandse consulaat had gewend. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en de officier van justitie waren van mening dat verzoeker het Nederlanderschap had verloren.

De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker als minderjarige het Nederlanderschap verloor op grond van artikel 7 WNI Pro door de naturalisatie van zijn ouders. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het verlies van het Nederlanderschap automatisch plaatsvond bij naturalisatie van de ouders, ongeacht de vraag of dit vrijwillig was. Verzoeker kon zich niet beroepen op latere wetswijzigingen omdat hij het Nederlanderschap reeds in 1959 verloor. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoeker wordt niet erkend als houder van de Nederlandse nationaliteit.

Conclusie

Zaak 12/03270
Mr. P. Vlas
Zitting, 8 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst) (hierna: de Staat)
1. Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN). In cassatie is de vraag aan de orde of art. V lid 2 Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RRWN) en art. 7 aanhef Pro en onder 5 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (hierna: WNI) van toepassing zijn. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. [Verzoeker] is op [geboortedatum] 1950 in [geboorteplaats] geboren als zoon van de echtgenoten [de moeder] en [de vader]. Hij verkreeg bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit. In 1953 is [verzoeker] uitgeschreven uit de Nederlandse bevolkingsadministratie wegens emigratie met zijn ouders naar de Verenigde Staten (hierna: VS). De ouders van [verzoeker] hebben op 12 januari 1959 door naturalisatie het Amerikaans staatsburgerschap verkregen.
3. [Verzoeker] heeft de Rechtbank 's-Gravenhage verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij zijn ouders weliswaar is gevolgd in de verkrijging van het Amerikaanse staatsburgerschap, maar dat niet is gebleken dat zijn ouders met het verkrijgen van die nationaliteit ook vrijwillig afstand hebben gedaan van de Nederlandse nationaliteit. [Verzoeker] meent op grond van art. V lid 2 RRWN het Nederlanderschap te hebben behouden. Hij stelt zich na 1 januari 1990 diverse malen tot het Nederlandse consulaat in de VS te hebben gewend in verband met bezoeken aan Nederland, zodat hij geacht moet worden het Nederlanderschap te hebben behouden.
4. De IND heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit aangezien art. V lid 2 RRWN niet op hem van toepassing is. De officier van justitie heeft zich bij dit standpunt aangesloten.
5. Bij beschikking van 5 april 2012 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] bij zijn geboorte op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a WNI de Nederlandse nationaliteit verkreeg, aangezien zijn vader op dat moment in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit (rov. 4.1). Op grond van art. 7 aanhef Pro en onder 1 WNI verloren de ouders van [verzoeker] op 12 januari 1959 het Nederlanderschap door hun naturalisatie tot Amerikaans staatsburger. Op dat moment was [verzoeker] minderjarig zodat ook hij op grond van genoemd artikel het Nederlanderschap verloor (rov. 4.2). De rechtbank heeft geoordeeld dat art. V lid 1 RRWN niet op [verzoeker] van toepassing is, omdat hij zijn Nederlanderschap niet heeft verloren op grond van het bepaalde in art. 15 aanhef Pro en onder c RWN (rov. 4.3) en derhalve het afleggen van een optie als bedoeld in art. V lid 1 RRWN niet mogelijk is (rov. 4.4).
6. [Verzoeker] heeft tegen deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld, waarna de Staat verweer heeft gevoerd. In tegenstelling tot de Staat heeft [verzoeker] geen procesdossier overgelegd.
7. Het middel is gericht tegen rov. 4.3 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat art. V lid 2 RRWN niet op [verzoeker] van toepassing is. Onder 3.2 klaagt het middel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen overweging heeft gewijd aan de omstandigheid dat de ouders van [verzoeker] 'met het verkrijgen van de Amerikaanse nationaliteit [waarschijnlijk bedoelt het middel hier: niet; A-G] ook vrijwillig afstand hebben gedaan' van het Nederlanderschap. Volgens het middel mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat hij op grond van art. V lid 2 RRWN het Nederlanderschap niet heeft verloren.
8. Deze klacht faalt, omdat het miskent dat de ouders van [verzoeker] op grond van art. 7 WNI Pro door hun naturalisatie tot Amerikaans staatsburger automatisch het Nederlanderschap verloren en het derhalve niet relevant was of dat verlies vrijwillig was. Nu [verzoeker] in 1959 als minderjarige op grond van art. 7 aanhef Pro en onder 1 WNI de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, kon hij de Nederlandse nationaliteit niet meer verliezen op grond van art. 15 aanhef Pro en onder c van de RWN dat pas op 1 januari 1985 in werking trad en komt hem geen beroep toe op art. V lid 2 RRWN.
9. Het volgende ongenummerde onderdeel van het middel bevat geen klacht. Niet ter discussie staat dat [verzoeker] bij zijn geboorte het Nederlanderschap verkreeg.
10. In het middel wordt onder 3.4 een beroep gedaan op art. 7 aanhef Pro en onder 5 WNI betreffende Nederlanders die buiten het Koninkrijk en de Republiek Indonesië waren geboren en meer dan tien jaar buiten Nederland woonden. Zij verloren het Nederlanderschap tenzij zij binnen die tien jaar te kennen gaven Nederlander te willen blijven. Voor een minderjarige begint die termijn te lopen op het moment dat hij meerderjarig wordt. De klacht faalt, nu in cassatie onbestreden vaststaat dat [verzoeker] in Nederland is geboren en derhalve dit artikel op hem niet van toepassing is. De klacht onder 3.5 bouwt op de voorgaande klachten voort en moet het lot daarvan delen.
11. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G