ECLI:NL:PHR:2013:BZ1474
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw
Op 14 augustus 2012 diende verzoeker een verzoek in om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank Utrecht wees dit verzoek bij vonnis van 17 oktober 2012 af, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoeker te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Verzoeker ging in hoger beroep, maar het hof Arnhem bekrachtigde het vonnis bij arrest van 13 december 2012. Het hof baseerde dit op drie gronden: (a) verzoeker nam een onverantwoord risico door een nieuwe onderneming te starten in de schoonmaakbranche, voortzettend de niet levensvatbare onderneming van zijn overleden moeder; (b) verzoeker handelde verwijtbaar door geen reservering te maken voor de af te dragen omzetbelasting; en (c) verzoeker deed te hoge privé-onttrekkingen waardoor schuldeisers werden benadeeld.
Verzoeker stelde cassatieberoep in en klaagde dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule niet toepaste, onjuiste algemene regels hanteerde over de reservering van omzetbelasting en de benadeling van schuldeisers verkeerd beoordeelde. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en het hof zijn oordeel op voldoende gronden baseerde.
De hardheidsclausule (art. 288 lid 3 Fw Pro) is niet bedoeld voor een geval als dit, en de hoogte van de privé-onttrekkingen was onaanvaardbaar. Het cassatieberoep werd daarom niet ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.