ECLI:NL:PHR:2013:BZ1474

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/05895
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 3 FwArt. 292 lid 6 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw

Op 14 augustus 2012 diende verzoeker een verzoek in om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank Utrecht wees dit verzoek bij vonnis van 17 oktober 2012 af, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoeker te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

Verzoeker ging in hoger beroep, maar het hof Arnhem bekrachtigde het vonnis bij arrest van 13 december 2012. Het hof baseerde dit op drie gronden: (a) verzoeker nam een onverantwoord risico door een nieuwe onderneming te starten in de schoonmaakbranche, voortzettend de niet levensvatbare onderneming van zijn overleden moeder; (b) verzoeker handelde verwijtbaar door geen reservering te maken voor de af te dragen omzetbelasting; en (c) verzoeker deed te hoge privé-onttrekkingen waardoor schuldeisers werden benadeeld.

Verzoeker stelde cassatieberoep in en klaagde dat het hof ten onrechte de hardheidsclausule niet toepaste, onjuiste algemene regels hanteerde over de reservering van omzetbelasting en de benadeling van schuldeisers verkeerd beoordeelde. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en het hof zijn oordeel op voldoende gronden baseerde.

De hardheidsclausule (art. 288 lid 3 Fw Pro) is niet bedoeld voor een geval als dit, en de hoogte van de privé-onttrekkingen was onaanvaardbaar. Het cassatieberoep werd daarom niet ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.

Conclusie

12/05895
Mr. L. Timmerman
Parket: 1 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Op 14 augustus 2012 heeft [verzoeker] een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank Utrecht heeft het verzoek bij vonnis van 17 oktober 2012 afgewezen op de grond dat niet aannemelijk is gemaakt dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (art. 288 lid 1 sub b Fw Pro). [verzoeker] is hiervan in hoger beroep gekomen. Het hof Arnhem heeft het vonnis bij arrest van 13 december 2012 bekrachtigd op de grond dat (a) het [verzoeker] zwaar aan te rekenen viel dat hij een nieuwe onderneming is begonnen, in de wetenschap dat zijn moeders schoonmaakbedrijf ten tijde van haar overlijden reeds aanzienlijke schulden had, in diezelfde schoonmaakbranche en in feite voor eigen rekening en risico de niet levensvatbare onderneming van zijn moeder heeft voortgezet (rov. 3.4), (b) [verzoeker] een onverantwoord risico heeft genomen en verwijtbaar heeft gehandeld door geen reservering te maken voor de af te dragen omzetbelasting, aangezien hij die gelden "uitsluitend ten behoeve van de belastingdienst bij zijn debiteuren incasseer[de]" (rov. 3.5) en (c) [verzoeker] gelet op het resultaat van de ondernemingen (te) hoge privé-onttrekkingen heeft gedaan, waardoor hij zijn schuldeisers heeft benadeeld (rov. 3.6). Het hof heeft geen reden gezien voor toepassing van art. 288 lid 3 Fw Pro (rov. 3.8).
2. Hiertegen heeft [verzoeker] tijdig(1) cassatieberoep ingesteld. Hij klaagt 1) dat het hof ten onrechte art. 288 lid 3 Fw Pro niet heeft toegepast, 2) dat het hof ten onrechte is uitgegaan van een onjuiste algemene regel dat het achterwege laten van een reservering voor omzetbelasting in de weg staat aan het aannemen van goede trouw, 3) dat het hof heeft miskend dat tegenover de privéonttrekkingen zijn arbeid stond en dat het daarom onjuist is om van benadeling van schuldeisers te spreken. In middel 4 wordt een voorbehoud met betrekking tot het proces-verbaal gemaakt, waarvan geen gebruik is gemaakt.
3. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Het hof heeft het ontbreken van de goede trouw gebaseerd op drie cumulatieve gronden; zie hiervoor (a) - (c) onder 1. Elke grond kan 's hofs oordeel zelfstandig dragen. Aangezien grond (a) in cassatie niet wordt bestreden, mist [verzoeker] belang bij de behandeling van de tegen de andere twee gronden gerichte klachten. Daarbij komt dat het tweede middel miskent dat het hof een oordeel geeft, toegespitst op de voorliggende kwestie. Ook middel 3 gaat uit van een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat [verzoeker] in het geheel geen privé-onttrekkingen mocht doen, maar dat de hoogte van de privé-onttrekkingen maakt dat die niet door de beugel konden. Terecht heeft het hof art. 288 lid 3 Fw Pro niet toegepast. De hardheidsclausule is niet geschreven voor een geval als de onderhavige. Ook middel 1 faalt.
4. Deze conclusie strekt tot het niet ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het cassatieverzoekschrift is op 21 december 2012, derhalve binnen de in art. 292 lid 6 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.