ECLI:NL:PHR:2013:BZ1475
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw
Verzoeker heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank Amsterdam, welke bij vonnis is afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro (Fw). De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden. Het hof Amsterdam heeft dit vonnis bekrachtigd en het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist bevonden.
De Hoge Raad overwoog dat verzoekers argumenten, waaronder het uit handen geven van zijn administratie aan een accountant vanwege beperkte boekhoudkundige kennis en taalvaardigheid, hem niet ontslaat van zijn verplichtingen. Ook het feit dat verzoeker betalingen aan de belastingdienst had gedaan, rechtvaardigt volgens het hof geen toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro.
De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel omtrent de goede trouw slechts beperkt toetsbaar is in cassatie en dat zelfstandig ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor het doen van belastingaangiften. Het cassatieberoep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot schuldsanering afgewezen wegens onvoldoende goede trouw.