ECLI:NL:PHR:2013:BZ1708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte door opzegging in mei 2005 rechtsgeldig
In deze zaak staat centraal of een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte per 1 oktober 2005 rechtsgeldig is beëindigd door een opzegging van de huurder in mei 2005. De huurovereenkomst was aangegaan voor vijf jaar met stilzwijgende verlenging, tenzij tijdig schriftelijk werd opgezegd. De huurder had de exploitatie van het bedrijf overgedragen aan een derde, maar de verhuurder had de overeenkomst niet formeel met die derde gesloten.
De huurder stelde dat hij de overeenkomst in mei 2005 mondeling had opgezegd, terwijl de verhuurder betwistte dat er sprake was van een geldige opzegging. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de overeenkomst stilzwijgend was verlengd, maar het hof stelde vast dat de huurder in mei 2005 duidelijk had laten blijken de overeenkomst te willen beëindigen. Het hof achtte de mondelinge opzegging rechtsgeldig, ook al was deze niet schriftelijk, omdat de verhuurder de opzegging had ontvangen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof. De Hoge Raad benadrukt dat de opzegging in mei 2005 tijdig was en dat het ontbreken van een schriftelijke opzegging niet aan de geldigheid in de weg stond, nu de verhuurder de opzegging had ontvangen. Ook het feit dat er geen nieuwe huurovereenkomst met de derde was gesloten en dat het gehuurde niet per 1 oktober 2005 was opgeleverd, doet hieraan niet af. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De huurovereenkomst is per 1 oktober 2005 rechtsgeldig geëindigd door de mondelinge opzegging van de huurder in mei 2005.