ECLI:NL:PHR:2013:BZ1785
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verjaring en stuiting bij koop van boerenbedrijf
In deze zaak stond de koop van een boerenbedrijf centraal waarbij eiser vorderde tot levering of schadevergoeding. Verweerder beriep zich op verjaring en stelde dat deze verjaring rechtsgeldig was gestuit. Het hof had geoordeeld dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar was en dat er geen sprake was van daadwerkelijke onderhandelingen die het beroep op verjaring zouden kunnen weerleggen.
Eiser voerde in cassatie meerdere middelen aan, waaronder dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de verjaring rechtsgeldig was gestuit op grond van artikel 3:317 lid 1 BW Pro en dat het hof onjuist had geoordeeld over het ontbreken van onderhandelingen. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen geen feitelijke grondslag missen en dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd. Ook stelde de Hoge Raad vast dat het hof niet de feitelijke grondslag van het verweer had aangevuld en dat de klachten over het lezen van een erkenning in brieven niet voldeden aan de vereisten.
Verder faalden klachten over het oordeel van het hof omtrent het uitblijven van het transport en de verrekening, omdat het hof dit als feitelijk oordeel had beschouwd en voldoende had gemotiveerd. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard kon worden. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep.
Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van verjaring en de voorwaarden waaronder stuiting plaatsvindt, evenals de beoordeling van feitelijke omstandigheden zoals onderhandelingen en erkenningen in het kader van koopovereenkomsten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep op verjaring door verweerder wordt bevestigd.