AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt arrest over doorzoeking op basis van onvoldoende geverifieerde CIE-informatie
In deze zaak stond de vraag centraal of de politie op basis van anonieme informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) zonder nadere verificatie een woning en een auto mocht doorzoeken. Het hof had geoordeeld dat de CIE-informatie, ondanks het ontbreken van een betrouwbaarheidsoordeel, voldoende concreet en specifiek was om een redelijk vermoeden in de zin van artikel 49 vanPro de Wet wapens en munitie (WWM) te rechtvaardigen. Hierdoor was een machtiging tot binnentreden en doorzoeking gerechtvaardigd.
De verdediging voerde aan dat sprake was van onherstelbare vormverzuimen en dat de doorzoeking disproportioneel en onrechtmatig was, onder meer omdat de auto van de moeder van verdachte zonder expliciete machtiging was doorzocht. Het hof verwierp deze verweren en stelde dat de urgentie van de situatie voortvarend optreden rechtvaardigde.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had vastgesteld dat de CIE-informatie zonder nadere verificatie een redelijk vermoeden opleverde. Hoewel spoedige actie soms gerechtvaardigd kan zijn, ontneemt dat niet de noodzaak van een voldoende geverifieerde verdenking. Het hof had het verweer ontoereikend gemotiveerd verworpen, waardoor het arrest niet stand kan houden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling. Dit arrest benadrukt het belang van zorgvuldigheid en verificatie bij inzet van ingrijpende opsporingsbevoegdheden zoals doorzoekingen op basis van anonieme informatie.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent het redelijk vermoeden voor de doorzoeking.
Conclusie
Nr. 11/01545
Mr. Knigge
Zitting: 11 december 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 4 maart 2011 verdachte wegens 1. "handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot wapens van categorie I, onder 3° en 1°", 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot munitie van categorie III" en 3. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de woning en de auto van de moeder van de verdachte.
4.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen:(1)
"Gevoerde verweren
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat in het opsporingsonderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting en vervolgens tot algehele vrijspraak, zoals in eerste aanleg is uitgesproken. Om redenen als vermeld zou bij de politie binnengekomen CIE-informatie onvoldoende zijn geweest voor het ontstaan van "een redelijk vermoeden" als bedoeld in artikel 49 vanPro de Wet wapens en munitie. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de doorzoeking niet proportioneel is geweest, nu zelfs gekeken is in de jaszakken, terwijl onderzoek aan de buitenkant van een jas voldoende is om na te gaan of zich in die jas wapens bevinden. Ook zou het optreden van de opsporingsfunctionarissen onvoldoende gecontroleerd kunnen worden, omdat het handelen van bedoelde functionarissen niet is omschreven in een verslag.
Het hof overweegt hieromtrent dat op grond van het bepaalde in artikel 49 vanPro de Wet wapens en munitie de bij of krachtens artikel 141 vanPro het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking mogen doen.
Volgens het proces-verbaal was er in de maand mei 2009 bij de politie CIE-informatie binnengekomen dat [verdachte] (verdachte), een man van tussen de 20 en 25 jaar oud, in het bezit is van een vuurwapen dat hij thuis bij zijn moeder in Bilthoven zou bewaren. Hij zou van plan zijn om binnenkort "iets" met dit wapen te gaan doen.
Vervolgens is door de politie naar aanleiding van die informatie een nader onderzoek in de politiesystemen ingesteld. Daarin stond geregistreerd:
[Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats], geëmigreerd sinds 31 oktober 2008.
Door de hulpofficier van justitie werd vervolgens een machtiging tot binnentreden voor de woning [a-straat 1] te [plaats] afgegeven ter inbeslagneming van alle goederen die vallen onder de Wet wapens en munitie. Na langdurig en luid kloppen op de deur en ramen van de woning werd niet gereageerd. Toen de onderruit van de toegangsdeur was geforceerd, verscheen verdachte uit de slaapkamer. Hoewel naar het oordeel van het hof geldt dat CIE-informatie - indien dit aan de basis ligt van ingrijpende opsporingsbevoegdheden, zoals een doorzoeking - geverifieerd dient te worden, kan CIE-informatie in bijzondere gevallen - als verificatie (bij het ontbreken van verificatiemogelijkheden) niet mogelijk is of (gelet op de inhoud van de CIE-informatie) te tijdrovend is - voldoende zijn om (bijvoorbeeld) gebruik te maken van de in artikel 49 WWMPro genoemde bevoegdheid. Het hof is van oordeel dat gelet op de inhoud van de CIE-informatie, met name de mededeling dat verdachte in het bezit is van een vuurwapen en van plan zou zijn om binnenkort "iets" met dit wapen te gaan doen voortvarend handelen door de politie geboden was en van verdere verificatiepogingen afgezien kon worden.
Het hof is derhalve van oordeel dat op basis van de CIE-informatie een machtiging tot binnentreden kon worden afgegeven.
Het hof is voorts van oordeel dat de doorzoeking niet disproportioneel is geweest. In geval er gezocht wordt naar wapens en/of munitie ligt het voor de hand dat er gekeken wordt in/op plaatsen waar dergelijke voorwerpen zich kunnen bevinden. Dit houdt in dat er ook in jaszakken kan worden gekeken en gevoeld.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het verslag van het binnentreden van de woning, zoals dat door de politie is opgemaakt een voldoende weergave is van het binnentreden en de doorzoeking, zoals die hebben plaatsgevonden.
De raadsman heeft voorts betoogd dat de auto van de moeder van verdachte zonder uitdrukkelijke toestemming daartoe niet door de politie had mogen worden doorzocht, nu de machtiging slechts zag op de doorzoeking van de woning en dat op grond hiervan de doorzoeking van de auto onrechtmatig is geweest.
Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog. De CIE-informatie was ook voldoende voor een onderzoek in de auto die zich kennelijk bij de woning bevond waar de verdachte verbleef en in welke woning op het moment van de doorzoeking alleen de verdachte aanwezig was. Op grond van het bepaalde in artikel 51 vanPro de Wet wapens en munitie was voor een doorzoeking van de auto geen expliciete machtiging nodig.
Het doorzoeken van de woning en de auto is mede gelet op de urgentie die met het onderzoek was gemoeid niet onrechtmatig geweest en de door de onderzoekshandelingen verkregen resultaten kunnen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten en anders dan de politierechter in eerste aanleg ziet het hof geen reden deze ter zijde te schuiven.
Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 7 mei 2009 een geluiddemper en een vlindermes, scherpe volmantel pistoolpatronen, kaliber 6,35 mm, en 10,08 gram cocaïne voorhanden heeft gehad."
4.3. Het middel keert zich in de eerste plaats tegen 's Hofs oordeel dat op basis van de CIE-informatie een machtiging tot binnentreden kon worden afgegeven. Het Hof heeft overwogen dat CIE-informatie in gevallen als het onderhavige, waarbij deze informatie aan de basis van een doorzoeking ligt, in principe geverifieerd dient te worden, maar dat deze informatie in bijzondere gevallen - als verificatie niet mogelijk is of te tijdrovend is - ook zonder verificatie voldoende kan zijn om gebruik te maken van de in art. 49 WWMPro genoemde bevoegdheid. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat gelet op de inhoud van de CIE-informatie voortvarend handelen door de politie geboden was en van verdere verificatiepogingen afgezien kon worden.
4.4. Het enkele feit dat de inhoud van informatie tot spoed noopt, ontneemt echter niet de onrechtmatigheid aan het binnentreden op grond van informatie die zonder nadere verificatie onvoldoende verdenking oplevert.(2) Juist over dit laatste punt heeft het Hof onduidelijkheid laten bestaan. Het Hof heeft immers niet vastgesteld dat de CIE-informatie - waarover, zo blijkt uit het proces-verbaal van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van de politie Utrecht(3), geen betrouwbaarheidsoordeel kon worden gegeven - an sich (dus zonder nadere verificatie) een redelijk vermoeden in de zin van art. 49 WWMPro opleverde.(4) Het Hof heeft het verweer derhalve ontoereikend gemotiveerd verworpen.
4.5. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld en behoeft voor het overige geen bespreking meer.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 SvPro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Met inbegrip van hier niet weergegeven voetnoten.
2 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2492, NJ 2011/293.
3 Zaaksdossier p.7.
4 Anders zou het zijn geweest als het Hof eerst had vastgesteld dat er sprake was van een redelijk vermoeden en vervolgens was nagegaan of de beginselen van een goede procesorde in dit geval verificatie nodig maakten. Aan een dergelijke benadering ligt de mijns inziens juiste rechtsopvatting ten grondslag dat een redelijk vermoeden verschillende gradaties kent en dat het daarom, gelet op de zorgvuldigheid die bij de inzet van dwangmiddelen is vereist, wenselijk is dat de politie, indien dat mogelijk is, onderzoekt of een bestaande redelijke verdenking kan worden versterkt of ontkracht voordat zij tot actie overgaat.