ECLI:NL:PHR:2013:BZ2193

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01749
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588.1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens nietigheid betekening appeldagvaarding

In deze strafzaak is verdachte door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens poging tot diefstal. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. Een centraal geschilpunt in cassatie betreft de rechtsgeldigheid van de betekening van de appeldagvaarding.

Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend, hoewel deze niet aan het adres was uitgereikt waar verdachte in eerste aanleg was gedagvaard en waar de dagvaarding aanvankelijk tevergeefs was aangeboden. De dagvaarding werd later aan de griffier van de rechtbank betekend, omdat het hof aannam dat de verdachte niet op het oorspronkelijke adres was ingeschreven.

De Hoge Raad stelt echter dat het enkele feit dat verdachte niet op het adres stond ingeschreven, niet betekent dat hij daar niet zijn feitelijke woon- of verblijfplaats had. Bovendien was geen afschrift van de dagvaarding aan het oorspronkelijke adres verzonden. Hierdoor is de betekening niet rechtsgeldig verlopen. Het middel slaagt en het arrest wordt vernietigd. Het tweede middel over overschrijding van de redelijke termijn wordt niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig en vernietigt het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens nietigheid van de betekening van de appeldagvaarding.

Conclusie

Nr. 11/01749
Mr. Knigge
Zitting: 11 december 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 december 2001 verdachte wegens "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
2. Tegen deze uitspraak is door verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof de appeldagvaarding nietig had behoren te verklaren omdat het, door de afwezigheid van de verdachte, geen rekening heeft kunnen houden met de persoonlijke omstandigheden die verdachte had willen aanvoeren.
4.2. Gelet op het belang dat aan het aanwezigheidsrecht moet worden gehecht, zie ik reden het middel welwillend te lezen. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 18 december 2001 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De voorzitter deelt het volgende mede:
Op 1 oktober 2001 is de dagvaarding voor de zitting van heden aangeboden aan het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage, doch aldaar niet uitgereikt, omdat op dat adres niemand werd aangetroffen. Vervolgens is de dagvaarding op 22 november 2001 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank 's-Hertogenbosch, omdat volgens opgave van het Bureau Vestigingsregister te 's-Gravenhage, ingekomen bij het ressortsparket 's-Hertogenbosch op 21 november 2001 verdachte niet bekend is, terwijl volgens de Dienst Burgerzaken afd: A.O.G. van de Gemeente 's-Gravenhage op 8 november 2001 de verdachte op de naam niet is gevonden. Niet geprobeerd is de dagvaarding uit te reiken aan het adres dat verdachte bij de politie heeft opgegeven en waarop hij in eerste aanleg is gedagvaard, te weten [b-straat 1] te 's-Gravenhage.
De advocaat-generaal merkt het volgende op:
Het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage is van latere datum. De dagvaarding dient nietig te worden verklaard. Ze hadden hem naar de [a-straat 1] in Den Haag moeten sturen.
De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding daar vergeefs is aangeboden, maar niet is opgestuurd.
De jongste raadsheer deelt mede dat verdachte niet op het laatstgenoemde adres stond ingeschreven.
De voorzitter deelt hierop mede dat de dagvaarding op geldige wijze is betekend.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling zal worden voortgegaan."
4.3. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 15 januari 2001 blijkt dat de aldaar verschenen verdachte als adres heeft opgegeven: [a-straat 1] te 's-Gravenhage. Bij de stukken bevindt zich voorts een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de appeldagvaarding op 1 oktober 2001 tevergeefs op dit adres is aangeboden. De akte doet voorts vermoeden dat de 'postkantoorfase' is overgeslagen. Daaruit blijkt niet dat en wanneer het gerechtelijk schrijven is teruggezonden aan de afzender. Wel blijkt uit die akte dat het bedoelde schrijven op 22 november 2001 is aangeboden aan de griffier "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Uit de akte blijkt niet dat een afschrift van de brief is gezonden aan het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage.
4.4. De reden om de dagvaarding aan de griffier te betekenen zal inderdaad - zoals de voorzitter van het Hof op de zitting van 18 december 2001 meedeelde - gelegen zijn in het feit dat, zoals de gedingstukken bevestigen, navraag bij de basisadministratie persoonsgegevens in Den Haag leerde dat de verdachte aldaar onbekend was. Dat feit levert echter onvoldoende reden op om aan te nemen dat het adres dat de verdachte in eerste aanleg opgaf, inmiddels was achterhaald. Het enkele feit dat de verdachte niet op dat adres stond ingeschreven, betekent immers niet dat hij daar niet zijn feitelijke woon- of verblijfplaats had. De conclusie moet zijn dat de appeldagvaarding ten onrechte niet op rechtsgeldige wijze op bedoeld adres is betekend.
4.5. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. De GBA-overzichten uit 2011 en 2012 die aan de aanzegging in cassatie zijn gehecht, vermelden als "Historische GBA-adressen": (vanaf 04-10-2000) [a-straat 1] te 's-Gravenhage en (vanaf 27-12-1990) [b-straat 1] te 's-Gravenhage. Op grond van die gegevens zal het ervoor gehouden moeten worden dat de verdachte ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding wel degelijk in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Den Haag stond ingeschreven. Dat het Hof daarvan niet op de hoogte kon zijn, doet daaraan niet af.
4.6. Het middel slaagt.
5. Het tweede middel
5.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden nu het dossier eerst in april 2011 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
5.2. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.(1)
5.3. Niet wordt duidelijk gemaakt tegen welke termijnoverschrijding de klacht zich precies keert, noch op grond waarvan aangenomen moet worden dat de desbetreffende termijn is overschreden. Van een middel van cassatie is daarom geen sprake.
6. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel dient buiten bespreking te blijven omdat het niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 187.