4.2. Het hof heeft het verweer samengevat en daaromtrent overwogen als volgt:
"Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft betoogd dat de verbalisanten onrechtmatig in de hotelkamer, waar onder meer de verdachte verbleef, zijn binnengetreden. Volgens de raadsman is een hotelkamer aan te merken als een woning en hadden verbalisanten daarom, conform de regeling inzake de Algemene wet op het binnentreden, ofwel over een machtiging ofwel over toestemming moeten beschikkingen alvorens zij de hotelkamer betreden. In het dossier bevindt zich geen machtiging en van ondubbelzinnig gegeven toestemming om binnen te treden blijkt evenmin. Het binnentreden was onrechtmatig en al het daarop volgende onderzoek in de hotelkamer (het kijken en voelen in de broek van verdachte, het kijken onder het bed en het pakken van de autosleutel) daarmee ook. De resultaten van al dit onderzoek dienen van het bewijs te worden uitgesloten volgens de raadsman.
Subsidiair - indien het hof mocht menen dat rechtmatig is binnengetreden - is betoogd dat de controlebevoegdheid op grond waarvan men is binnengetreden ten onrechte is aangewend om de hotelkamer te doorzoeken. Ook dit is onrechtmatig en de resultaten van de onderzoek dienen om die reden van het bewijs te worden uitgesloten.
(...)
Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat een van de verbalisanten de verdachte heeft herkend op de beelden, terwijl niet blijkt waaraan de verdachte is herkend. De verbalisant heeft de verdachte herkend omdat de verdachte is aangehouden en verhoord door die verbalisant. Dit laatste is echter ook te beschouwen als een vrucht van het onrechtmatige binnentreden en de daarop volgende aanhouding en inverzekeringstelling.
De raadsman heeft geconcludeerd dat na uitsluiting van het bewijs dat de vrucht is van het onrechtmatige optreden van de politie, te weinig bewijs resteert om tot een bewezenverklaring te komen zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Het hof oordeelt als volgt.
Uit het proces-verbaal, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blijkt dat zij op 20 september 2010 ter plaatse kwamen bij Hotel de Biltsche Hoek, naar aanleiding van een melding van de hotelmanager in verband met mogelijk illegale prostitutie in dat hotel. Volgens de hotelmanager waren er vier mannen en één vrouw voor dezelfde hotelkamer gekomen. Om 07:15 uur had verdachte kamer 221 in dit hotel gehuurd. De verbalisanten begaven zich naar de betreffende hotelkamer en [verbalisant 1] klopte op de deur. Toen er geen reactie kwam bonkte [verbalisant 1] op de deur, waarbij hij riep dat hij van de politie was. Na nog steeds niets te hebben gehoord, opende verbalisant de deur met de centrale sleutel die hem door de hotelmanager was verstrekt. De deur kon echter niet geheel open, omdat er een kettinkje op de deur zat. Er verscheen een persoon in de deuropening aan wie [verbalisant 1] zich legitimeerde. Het kettinkje werd van de deur gehaald en [verbalisant 1] meldde dat hij een controle wilde uitvoeren en wilde zien of er een dame aanwezig was. Hierna hebben de verbalisanten de kamer betreden. In de kamer troffen de verbalisanten - voor zonder hier van belang - een kluisachtig voorwerp aan, een kas, een broek en een autosleutel. Met instemming van de verdachte is in voornoemde broek gekeken. Nadien is ook in de auto gezocht.
Naar het oordeel van het hof is een hotelkamer een plaats waar zich het privé-huiselijk leven afspeelt. Reeds in 1984 heeft de Hoge Raad beslist (HR 29 mei 1984, DD 84/455) dat een hotelkamer een woning is tenzij uit de omstandigheden anders blijkt. Als uitzonderlijke omstandigheid is bijvoorbeeld aangemerkt dat de hotelkamer niet in gebruik is. In het onderhavige geval was de hotelkamer echter in gebruik bij de verdachte die daartoe ook zijn identiteitsgegevens had verstrekt aan het hotel, zo blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen op p. 71 van het dossier.
Nu sprake was van een woning konden de verbalisanten op grond van het samenspel van de artikelen 1, 2 en 3 van de Algemene wet op het binnentreden rechtmatig binnentreden na het verkrijgen van een machtiging van de (hulp)officier van justitie of na verkregen toestemming van de bewoner. Niet blijkt dat de verbalisanten een machtiging hebben verkregen.
Voor wat betreft het verkrijgen van toestemming geldt dat deze verbaal of non-verbaal gegeven kan worden, maar in elk geval ondubbelzinnig moet blijken. In het onderhavige geval blijkt uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat niet werd gereageerd op het kloppen, bonken en roepen door hen. Gelet op het gegeven dat bekend was dat zich verschillende personen hadden gemeld voor de betreffende kamer, die nog niet hadden uitgecheckt, is het hof van oordeel dat in dit stadium (nog voor het openen van de deur van de kamer) geen toestemming werd gegeven om de kamer binnen te treden. Nadat de deur was geopend met de centrale sleutel en [verbalisant 1] zich had gelegitimeerd, verwijderde een persoon het kettinkje van de deur en openende deze. Het enkele gegeven dat [verbalisant 1] daarop vervolgens heeft aangekondigd dat hij een controle wilde verrichten en dat de verdachte daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, maakt niet dat daarmee op ondubbelzinnige wijze toestemming is gegeven om binnen te treden. Uit het dossier is immers niet gebleken dat de verbalisanten hebben gevraagd of zij binnen mochten treden en evenmin is uit de stukken gebleken van non-verbale gedragingen van verdachte waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake was van de ondubbelzinnige toestemming om binnen te treden. Het verwijderen van het kettinkje van de deur en het vervolgens openen daarvan is daartoe - in het licht van hetgeen daaraan is vooraf gegaan - onvoldoende. Het binnentreden in de hotelkamer was daarmee onrechtmatig, waardoor sprake is geweest van onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.
De voorschriften die de verbalisanten ten onrechte niet in acht hebben genomen, dienen ter bescherming van het privé-huiselijk leven en vertegenwoordigen derhalve een groot belang. Verbalisanten hadden echter een rechtmatig alternatief. Zij hadden de aangetroffen situatie ter plekke kunnen - en moeten - bevriezen, in afwachting van een machtiging van de (hulp)officier van justitie, om vervolgens op rechtmatige wijze te kunnen binnentreden. Ook hadden zij expliciet toestemming kunnen vragen om te mogen binnentreden. Het politieoptreden zou dan met inachtneming van het voorgaande hebben geleid tot hetzelfde resultaat waar het gaat om het aantreffen van de goederen. Gelet daarop zal het geconstateerde vormverzuim niet leiden tot bewijsuitsluiting zoals betoogd door de raadsman. Het hof zal het geconstateerde vormverzuim verdisconteren in de strafoplegging.
Voor wat betreft het standpunt van de raadsman betreffende de gang van zaken na het binnentreden in de hotelkamer blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], het volgende. De afroomkluis is aangetroffen in de hotelkamer naast de tas, die naast het rechterbed stond. De wijze waarop deze kluis is aangetroffen is niet aan te merken als een doorzoeking en is derhalve rechtmatig. De broek die op de grond lag en waarin een totaalbedrag van € 2.135,-- (naar het hof constateert ongeveer de helft van het ontvreemde bedrag) is aangetroffen, behoorde toe aan de verdachte en is met toestemming van de verdachte doorzocht door verbalisant [verbalisant 1]. Dit doorzoeken is derhalve op rechtmatige wijze geschied. De jas die vervolgens werd doorzocht, behoorde niet toe aan de verdachte. Voor zover het zoeken in die jas al onrechtmatig was, is geen sprake van onrechtmatigheid jegens de verdachte.
Het doorzoeken van de auto met behulp van de op enigerlei wijze op de hotelkamer aangetroffen autosleutel is niet met toestemming van de verdachte geschied. Dit handelen is daarmee onrechtmatig. Hetzelfde geldt ook voor de tas, die nadien ook niet meer is gevonden. Met dit onrechtmatig handelen is eveneens rekening gehouden in de strafoplegging. Hetzelfde geldt voor de herkenning van de verdachte nadien door de verbalisant."