ECLI:NL:PHR:2013:BZ2653

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/05421
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 457.1 onder c SvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verduidelijkt kwalificatie van afgedwongen tongzoen onder art. 242 Sr

In deze zaak heeft de Hoge Raad zijn eerdere interpretatie van artikel 242 Sr Pro herzien met betrekking tot de kwalificatie van een afgedwongen tongzoen als verkrachting. Hoewel een tongzoen het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking inhoudt, oordeelt de Hoge Raad dat dit niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een gedraging die qua ernst vergelijkbaar is. Hierdoor kan een afgedwongen tongzoen niet meer als verkrachting worden aangemerkt.

De Hoge Raad benadrukt dat deze gewijzigde rechtsopvatting niet kan worden beschouwd als een nieuw feitelijk gegeven in de zin van artikel 457.1 onder c Sv, zodat eerdere zaken die met inachtneming van de oude uitleg zijn afgedaan, niet herzien kunnen worden op grond van dit arrest.

In de onderliggende zaak werd het bewijs gevormd door de verklaring van de aangeefster, die als schoonmaakster werkzaam was in het ziekenhuis. Uit haar verklaring blijkt dat zij van meet af aan afwijzend stond tegenover de avances van de verdachte en dat hij haar tegen de muur duwde en begon te zoenen, waarbij hij zijn tong in haar mond probeerde te brengen. De Hoge Raad oordeelt dat het middel geen grond voor cassatie biedt, omdat uit deze verklaring voldoende blijkt dat sprake was van dwang om het seksuele binnendringen te ondergaan.

Het beroep wordt voorgesteld af te doen op de voet van artikel 80a RO, waarmee de Hoge Raad de klacht afwijst.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een afgedwongen tongzoen niet als verkrachting onder art. 242 Sr kan worden gekwalificeerd en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

Nr. 11/05421
Mr. Aben
Zitting 22 januari 2013
Standpunt c.q. conclusie inzake:
[Verdachte]
Het middel rechtvaardigt geen behandeling in cassatie. Het berust op een verkeerde lezing van de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster, [betrokkene], die als schoonmaakster werkzaam was in het ziekenhuis. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd vloeit uit die tot het bewijs gebezigde aangifte voort dat de aangeefster van meet af aan afwijzend reageerde op de avances van de verdachte. Ik citeer:
"Toen stapte hij weer naar voren in mijn richting. Ik zei toen nog een keer tegen hem dat hij weg moest gaan, omdat ik zo mijn werk niet kon doen. Hij bleef gewoon staan. Ik was klaar met het eerste toilet en liep naar het tweede toilet. Maar voor ik daar was, duwde de man mij tegen de muur aan. Hij stond met een hand tegen de muur en met de andere hand tegen mijn buik. Hij stond vrij dicht tegen mij aan, want ik voelde zijn jas tegen mijn lichaam. De man begon mij te zoenen. Eerst in mijn hals en later op mijn mond. Hij probeerde zijn tong in mijn mond te doen, maar dat kon ik een beetje voorkomen door mijn gezicht eerst naar achter te doen en daarna weg te draaien. Ik heb gevoeld dat hij wel zijn tong in mijn mond is geweest. Ik heb hem weer weggeduwd en gezegd dat hij op moest houden en weg moest gaan. De man deed een stap naar achter, maar hij ging niet weg."
De klacht kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, omdat het bewijs van de dwang om het seksuele binnendringen (de tongzoen) te ondergaan zonder meer uit dit bewijsmiddel voortvloeit.
Ik stel voor dit beroep af te doen op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,