ECLI:NL:PHR:2013:BZ2653
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verduidelijkt kwalificatie van afgedwongen tongzoen onder art. 242 Sr
In deze zaak heeft de Hoge Raad zijn eerdere interpretatie van artikel 242 Sr Pro herzien met betrekking tot de kwalificatie van een afgedwongen tongzoen als verkrachting. Hoewel een tongzoen het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking inhoudt, oordeelt de Hoge Raad dat dit niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een gedraging die qua ernst vergelijkbaar is. Hierdoor kan een afgedwongen tongzoen niet meer als verkrachting worden aangemerkt.
De Hoge Raad benadrukt dat deze gewijzigde rechtsopvatting niet kan worden beschouwd als een nieuw feitelijk gegeven in de zin van artikel 457.1 onder c Sv, zodat eerdere zaken die met inachtneming van de oude uitleg zijn afgedaan, niet herzien kunnen worden op grond van dit arrest.
In de onderliggende zaak werd het bewijs gevormd door de verklaring van de aangeefster, die als schoonmaakster werkzaam was in het ziekenhuis. Uit haar verklaring blijkt dat zij van meet af aan afwijzend stond tegenover de avances van de verdachte en dat hij haar tegen de muur duwde en begon te zoenen, waarbij hij zijn tong in haar mond probeerde te brengen. De Hoge Raad oordeelt dat het middel geen grond voor cassatie biedt, omdat uit deze verklaring voldoende blijkt dat sprake was van dwang om het seksuele binnendringen te ondergaan.
Het beroep wordt voorgesteld af te doen op de voet van artikel 80a RO, waarmee de Hoge Raad de klacht afwijst.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een afgedwongen tongzoen niet als verkrachting onder art. 242 Sr kan worden gekwalificeerd en wijst het cassatieberoep af.