ECLI:NL:PHR:2013:BZ2865

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/00511
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 6 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 80 lid 1 aanhef en onder a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over compensatie passagiers bij vluchtvertraging en buitengewone omstandigheden

Deze zaak betreft de vraag of passagiers recht hebben op schadevergoeding bij langdurige vertraging van hun vlucht volgens Verordening (EG) nr. 261/2004. De Hoge Raad heeft de procedure aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).

Het HvJ EU heeft op 23 oktober 2012 geoordeeld dat passagiers recht hebben op compensatie indien zij drie uur of meer vertraging oplopen, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.

De Hoge Raad bevestigt dat het verweer van de luchtvaartmaatschappij ten onrechte door de kantonrechter is gepasseerd en dat de motiveringsklacht van de luchtvaartmaatschappij slaagt. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor hernieuwde behandeling.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de buitengewone omstandigheden strikt moeten worden geïnterpreteerd en dat de luchtvaartmaatschappij haar stellingen voldoende moet motiveren. De uitspraak heeft belangrijke gevolgen voor de toepassing van de compensatieregeling in Nederland.

Uitkomst: Het bestreden vonnis wordt vernietigd en verwezen voor hernieuwde behandeling met inachtneming van de prejudiciële uitspraak van het HvJ EU.

Conclusie

Zaak 12/00511
Mr. P. Vlas
Zitting, 1 maart 2013
Aanvullende conclusie inzake:
Transavia Airlines C.V.
tegen
1) [Verweerster 1]
2) [Verweerder 2]
3) [Verweerster 3]
1.1 In deze zaak over het recht op compensatie bij langdurige vertraging op grond van Verordening (EG) Nr. 261/2004(1), wordt nader geconcludeerd nadat de Hoge Raad op 15 juni 2012 (LJN: BW5518; RvdW 2012/856) tot aanhouding van de procedure heeft beslist in afwachting van de beslissing van het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel).
1.2 Voor de relevante feiten en het procesverloop verwijs ik naar mijn conclusie van 11 mei 2012, waarin ik op de aldaar vermelde gronden heb geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing.
1.3 Bij het genoemde tussenarrest van 15 juni 2012 heeft de Hoge Raad gemeend dat de 'bijzondere omstandigheden' van deze zaak rechtvaardigen dat de uitspraak wordt aangehouden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel); de stukken zijn opnieuw in handen gesteld van de Procureur-Generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie nadat het HvJEU uitspraak heeft gedaan.
1.4 Bij prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012(2) heeft het HvJ EU in de genoemde gevoegde zaken geoordeeld dat, zoals reeds was bepaald in het Sturgeon-arrest(3), passagiers van een vertraagde vlucht krachtens de Verordening recht op compensatie hebben wanneer zij drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, tenzij de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.
1.5 De advocaat van Transavia heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, afgezien van een nadere schriftelijke toelichting.
1.6 Ik zie geen reden om, naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012, af te wijken van het in mijn conclusie van 11 mei 2012 ingenomen standpunt omtrent het cassatiemiddel van Transavia, met dien verstande dat Transavia gelet op de beslissing van 23 oktober 2012 geen belang meer heeft bij onderdeel 1 waarin het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU of de aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van de bij het HvJEU aanhangige procedures aan de orde komt. De in onderdeel 2 opgenomen motiveringsklacht slaagt op de in mijn eerdere conclusie aangegeven grond.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, PbEU 2004, L 46/1 (hierna: de Verordening).
2 LJN: BY2173, NJ 2013/4, m.nt. M.R. Mok.
3 HvJEG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.