ECLI:NL:PHR:2013:BZ2867

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/00512
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 134 lid 1 RvArt. 80 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over compensatie recht passagiers bij vluchtvertraging volgens EG-verordening 261/2004

In deze zaak staat het recht op compensatie van passagiers centraal die te maken hebben met een langdurige vertraging van hun vlucht. De zaak betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie en bijstand regelt bij instapweigering, annulering of langdurige vertraging van vluchten.

De Hoge Raad had de procedure eerder aangehouden in afwachting van prejudiciële uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel). Deze uitspraken bevestigen dat passagiers recht hebben op compensatie wanneer zij drie uur of meer vertraging oplopen, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.

Na ontvangst van de prejudiciële beslissing heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad geconcludeerd dat het eerdere standpunt wordt gehandhaafd, met uitzondering van het onderdeel dat betrekking had op het stellen van prejudiciële vragen en de aanhouding van de zaak. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak voor verdere behandeling.

De advocaat van Transavia Airlines heeft afgezien van een nadere schriftelijke toelichting, waarmee de procedure wordt voortgezet op basis van de bestaande stukken en het HvJEU-arrest. De Hoge Raad bevestigt hiermee het recht van passagiers op compensatie bij langdurige vertraging, binnen de kaders van de Europese regelgeving.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak terug in lijn met het HvJEU-arrest over compensatie bij vluchtvertraging.

Conclusie

Zaak 12/00512
Mr. P. Vlas
Zitting, 1 maart 2013
Aanvullende conclusie inzake:
Transavia Airlines C.V.
tegen
1) [Verweerder 1]
2) [Verweerster 2]
3) [Verweerder 3]
4) [Verweerster 4]
1.1 In deze zaak over het recht op compensatie bij langdurige vertraging op grond van Verordening (EG) Nr. 261/2004(1), wordt nader geconcludeerd nadat de Hoge Raad op 15 juni 2012 (LJN: BW9932; RvdW 2012/855) tot aanhouding van de procedure heeft beslist in afwachting van de beslissing van het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel).
1.2 Voor de relevante feiten en het procesverloop verwijs ik naar mijn conclusie van 11 mei 2012, waarin ik op de aldaar vermelde gronden heb geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing.
1.3 Bij het genoemde tussenarrest van 15 juni 2012 heeft de Hoge Raad gemeend dat de 'bijzondere omstandigheden' van deze zaak rechtvaardigen dat de uitspraak wordt aangehouden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel); de stukken zijn opnieuw in handen gesteld van de Procureur-Generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie nadat het HvJEU uitspraak heeft gedaan.
1.4 Bij prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012(2) heeft het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel) geoordeeld dat, zoals reeds was bepaald in het Sturgeon-arrest(3), passagiers van een vertraagde vlucht krachtens de Verordening recht op compensatie hebben wanneer zij drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, tenzij de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.
1.5 De advocaat van Transavia heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, afgezien van een nadere schriftelijke toelichting.
1.6 Ik zie geen reden om, naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012, af te wijken van het in mijn conclusie van 11 mei 2012 ingenomen standpunt omtrent het cassatiemiddel van Transavia, met dien verstande dat Transavia gelet op de beslissing van 23 oktober 2012 geen belang meer heeft bij onderdeel 1 waarin het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU of de aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van de bij het HvJEU aanhangige procedures aan de orde komt. Onderdeel 2 slaagt op de door mij in mijn eerdere conclusie aangegeven grond.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, PbEU 2004, L 46/1 (hierna: de Verordening).
2 LJN: BY2173, NJ 2013/4, m.nt. M.R. Mok.
3 HvJEG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.