ECLI:NL:PHR:2013:BZ2867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over compensatie recht passagiers bij vluchtvertraging volgens EG-verordening 261/2004
In deze zaak staat het recht op compensatie van passagiers centraal die te maken hebben met een langdurige vertraging van hun vlucht. De zaak betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 261/2004, die compensatie en bijstand regelt bij instapweigering, annulering of langdurige vertraging van vluchten.
De Hoge Raad had de procedure eerder aangehouden in afwachting van prejudiciële uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel). Deze uitspraken bevestigen dat passagiers recht hebben op compensatie wanneer zij drie uur of meer vertraging oplopen, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.
Na ontvangst van de prejudiciële beslissing heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad geconcludeerd dat het eerdere standpunt wordt gehandhaafd, met uitzondering van het onderdeel dat betrekking had op het stellen van prejudiciële vragen en de aanhouding van de zaak. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak voor verdere behandeling.
De advocaat van Transavia Airlines heeft afgezien van een nadere schriftelijke toelichting, waarmee de procedure wordt voortgezet op basis van de bestaande stukken en het HvJEU-arrest. De Hoge Raad bevestigt hiermee het recht van passagiers op compensatie bij langdurige vertraging, binnen de kaders van de Europese regelgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak terug in lijn met het HvJEU-arrest over compensatie bij vluchtvertraging.